Over leven en dood

De columnist wiens werk je nu leest bestaat echt. Geen twijfel mogelijk: hij is!

Het is voor hemzelf geweldig zijn ‘zijn’ vooraf te bevestigen omdat hij kort geleden zeer tegen zijn zin een ervaring van ‘bijna-niet-zijn’ had. Die griezelige gebeurtenis heeft hij echter goed doorstaan. Zo goed zelfs dat hij zich op het moment onsterfelijk voelt; een gevoel dat, hoe hij het ook wendt of keert, ingaat tegen zijn beter weten. Vanuit die psychologische incongruentie durft hij het aan, lezer van Kintakt, het deze keer eens met jou te hebben over leven en dood.

Stel, je bent gewoon aan het leven en op een zeker moment trekt dat leven even heel strak aan de teugels. Je immer trouwe holle spier heeft een black-out en laat je bungelen boven een afgrondelijke diepte. Je weet onmiddellijk: dit is geen bungy-jumpen. Je denkt: O jee, daar ga ik. Je zwaait met een licht en hoopt dat iedereen weet wat dat betekent. Het geluk is met je: er komt een witte jas, je wordt goed ondergestopt, je laat je helemaal keren, kijkt zelf mee naar het binnenste dat van jou is en je weet onmiddellijk: dit is niet de film die je wilde zien. Je bezoekt nog een paar andere zalen, maar ook daar een zelfde vertoning. Er gebeurt in korte tijd veel met en rondom je, maar je denkt weinig (niet veel meer dan: alles moet recht kom). In de omgeving waarin je je bevindt is veel nieuws en bijzonders te zien maar je kijkt alleen maar naar wat je al kent: naar de mooie, lieve zuster die sprekend lijkt op Scarlett Johansson (wat een troost!). Je wilt ook nog vanaf het brancard wat maatregelen treffen, want, verdorie, de was hangt nog buiten. En in deze consternatie val je stil en na een poosje in slaap. Bij het ontwaken constateer je dat je je bevindt in wat de filosoof Heidegger de ontologische bestaansmodus noemt: je bent weggerukt uit je alledaagse beslommeringen en terechtgekomen in een gebied waar het Zijn op een meer rechtstreekse manier tot je spreekt. Je voelt: ‘ik ben’. En je herinnert je dat je goeroe je ooit verteld heeft dat het gevoel ‘ik ben’ altijd in je is en dat het de onveranderlijke achtergrond vormt van het verschijnen en verdwijnen van alle ervaren. Je merkt dat er in korte tijd heel veel verschijnt en verdwijnt tegen die zgn. onveranderlijke achtergrond. Een van de opmerkelijkste ‘verschijningen’ nu is de herinnering aan ervaren doodsangst.

Het sterke besef van je eigen sterfelijkheid dat, begeleid door angst, terugkeert in je bewustzijn. En die angst voor de dood komt in de dagen die volgen met een zekere regelmaat op ziekenbezoek. Opmerkelijk daarbij is dat hij zich niets aantrekt van geldende bezoektijden; hij floept binnen als het hem uitkomt en meestal als je alleen bent en net iets leuks hebt ingepland of als je behoefte hebt aan een hazenslaapje. En als deze kwelgeest er eenmaal is wil hij ook nog het hoogste woord. De vraag is nu: wat te doen? Welke rol mag deze ongenode gast spelen in het stuk van je leven en in het herstelplan dat je in overleg met jezelf, je naasten en met de witte jassen hebt beraamd? Deze columnist wist zich aanvankelijk geen raad met zijn eigen doodsangst. Hij begreep dat fenomeen helemaal niet. Hij kon ook niet goed aangeven wat dood zijn nu eigenlijk is en bijgevolg ook niet echt weten, laat staan uitdrukken, waar hij nou eigenlijk bang voor was. Hoe zou hij daarover dan kunnen spreken? En waar en met wie zou hij het over ‘dat grote ongrijpbare’ kunnen hebben? Wie zou met hem in ‘dat zwarte gat’ durven springen om te onderzoeken wat het behelst? En is het wel zo nodig om dat te doen? Uit de reacties van tal van significante anderen maakte hij op, dat ook zij het onderwerp niet ter sprake brachten. Hij reageerde daar ambivalent op: gelukkig, dacht hij, niemand begint erover. Maar tegelijkertijd vroeg hij zich af: hoe slagen ze er in godsnaam in het niet met mij te hebben over de vergankelijkheid van mijn en hun bestaan? Hij slaagde daar echter niet in. Laat ik het balletje eens opgooien bij de hulpverlening, dacht hij. Maar al gauw bleek dat ook professionals (en van allerlei pluimage) de zgn. strategie van de gewone man wensten te volgen: er niet aan denken en er niet over beginnen. Hij had het kunnen weten; de professor had het hem immers geleerd: veel hulpverleners vertonen een nogal tweeslachtige houding tegenover dood en rouwverwerking. Aan de ene kant vinden ze dood en rouw een normaal aspect van het leven en zijn ze er beducht voor om problemen in verband daarmee te pathologiseren en te medicaliseren. Aan de andere kant weten ze allemaal dat bij veel aanmeldingen dood en rouw op de achtergrond aanwezig is… en soms nogal op de voorgrond staat. En toch wordt dit betrekkelijk weinig tot expliciete focus van de behandeling gemaakt. Ja, hij had het kunnen weten: het onderwerp dood is in de hulpverlening onderbelicht. Hij moest de professor  zeer tegen zijn zin daarin gelijk geven. Zijn ervaring van ‘bijna-niet-zijn’ bracht deze columnist uiteindelijk op het spreekuur van de filosoof. En terwijl hij in de wachtkamer luisterde naar een Schubertlied ‘Von Abschied und Reise’, formuleerde hij een vraag die hij aan de wijsgeer zou voorleggen: kan denken aan onze vergankelijkheid en spreken over onze dood onze angst ervoor wegnemen? Angst voor de dood, zei de filosoof, zit 24 uur per dag onder ons vel. Als dat gegeven er van ons mag zijn en we ons toestaan het bewustzijn daarvan zo nu en dan eens uit te spreken zijn we voor de helft genezen van deze angst. De belangrijkste vraag is nu: wat moet mijn houding zijn tegenover de dood?

De dood is onontkoombaar en derhalve moeten wij ons niet van hem afkeren maar ons er diep vertrouwd mee maken. Wij moeten ons op hem voorbereiden en onderzoeken hoe we met hem om kunnen gaan. Aldoende leren we niet meer bang voor hem te zijn. Mijn leermeester, zei de wijsgeer, leerde mij dit: ëAls de dood een vijand was die je kon ontlopen, zou ik je aanraden het hazenpad te kiezen. Maar omdat dat niet gaat, omdat hij je toch vangt, moet je leren je schrap te zetten en je tegen hem teweer te stellen. Als wij bang blijven voor de dood, is hij een gestage bron van lijden. Ik raad je deze strategie aan: ontneem de dood zijn vreemd-zijn, ga met hem om en maak je vertrouwd met hem. Roep hem telkens weer voor je geestesoog op, in al zijn verschijningsvormen. Als een paard struikelt, een pan van het dak valt, ja, bij de geringste speldenprik moet je meteen bij jezelf zeggen: En als dit nu eens mijn dood zou zijn?í en je dan vermannen en geen krimp geven. En ook tijdens feesten en vermaak moet je altijd dit keerlied van je sterfelijkheid in gedachten houden en je nooit zozeer door je genoegens laten meeslepen dat je niet af en toe denkt uit hoeveel hoeken en gaten de dood op je vrolijkheid loert en haar bedreigt. In het begin is het onmogelijk om bij dergelijke gedachten niet een steek te voelen. Maar op den duur, als je ze steeds weer in je oproept, krijg je er greep op, dat staat vast. Anders zou je zelf voortdurend in angst en beven verkeren, want niemand is ooit zo weinig zeker van zijn leven als de mens.

Wij moeten altijd, voor zover dit in ons vermogen ligt, klaar staan om te vertrekken en er vooral voor zorgen dat wij dan alleen maar met onszelf te maken hebben. De woorden van de filosoof kwamen binnen bij de columnist. En zijn geest vond er rust bij. Het is dus goed de dood zowel in gedachten als in de mond te hebben, begreep hij. Dat is goed nieuws voor alle hulpverleners, dacht hij. Laat ik ze dat onmiddellijk gaan vertellen in een column, besloot hij. Stel, therapeut, op een zeker moment glipt de dood mee naar binnen, je praatjeswinkel in. Grijp dan je kans; nodig hem uit deel te nemen aan het gebeuren in je spreekkamer. Betrek hem in het therapiegesprek over het leven van je cliënt waarin hij een zeer belangrijke rol vervult: ervaring met hem in welke vorm dan ook  is een ware katalysator voor verandering. Na een grenservaring, is alles in het leven anders. Benut deze ervaring ten volle omdat ze het perspectief van je cliënt ingrijpend kan laten veranderen. Je hoeft zelf niet veel meer te doen dan het onderwerp zo lang als de cliënt het nodig heeft ter sprake te brengen en op de agenda te houden. Praat met een Horatiaanse gelijkmoedigheid over onze vergankelijkheid en bezie in alle nuchterheid de angsten, de vragen en de problemen die ermee samengaan. Al doende zul je ervaren dat het mes aan twee kanten kan snijden: ook je eigen angst voor de dood wordt getransformeerd en ook jouw levensperspectief kan gaan schuiven. Dat wil je toch meemaken, therapeut! De columnist die je nu leest, heeft in deze column veel gedacht. Dat moet wel betekenen dat hij bestaat. Geen twijfel mogelijk: hij bestaat echt. En hij voelt zich onsterfelijk.

DIO VAN MASTRIGT

Share This