werken met hechtingsstoornissen

Goede hechting bevordert zowel verbondenheid als autonomie

Voor het tot stand komen van deze veilige hechting is het essentieël dat de ouder emotioneel beschikbaar, ontvankelijk en betrokken is. Wanneer het kind in zijn hechtingsdrang krijgt wat het nodig heeft, en dat is lang niet altijd waar het om vraagt, dan voelt het zich geborgen en gerustgesteld en stopt zijn behoefte aan nabijheid.
Het voelt zich dan weer vrij om zich op de wereld om zich heen te richten. Voor een veilige hechting is het beslist niet noodzakelijk dat de ouder permanent en volledig beschikbaar is. Veilige hechting wordt gevormd door twee basisboodschappen:

  • Ik ben er voor jou en jouw veiligheid staat voorop. Wanneer je je bedreigd, angstig of verdrietig voelt, dan ben ik er voor jou.
  • Maar ik ben er niet altijd en alleen voor jou. Ik heb ook mijn eigen leven en mijn eigen behoeften. Daar zul jij rekening mee moeten leren houden.

Zo leert het kind te vertrouwen op de ouders zonder afhankelijk te worden van diens permanente aanwezigheid en beschikbaarheid. Voor een evenwichtige ontwikkeling van het kind is het van belang dat het vanaf het prille begin signalen krijgt van verbondenheid, maar ook van autonomie. Zo leert het dat verbonden zijn veilig, en autonoom zijn OK is en ontwikkelt het een evenwicht tussen het zoeken naar verbondenheid en het ontwikkelen van zijn eigen autonomie (Bouwkamp, 1999). Bowlby (1969/1982) spreekt hierbij over de delicate balans in het kind tussen nabijheid zoeken (hechting) en de behoefte aan exploratie. Om deze balans te bewerkstelligen is het van belang dat het kind niet verstrikt raakt in de veilige geborgenheid van zijn ouders en daardoor niet aan zelfstandige differentiatie toekomt, maar ook dat het niet volslagen onafhankelijk zijn eigen weg gaat zonder verbondenheid met anderen.
Veilig gehechte kinderen raken zelden in paniek wanneer ze door hun ouder even alleen gelaten worden. Ze hervatten hun spel, houden wel in de gaten of de ouder terugkomt en reageren daarop met blij enthousiasme.
Wanneer de ouder niet beschikbaar is en niet ontvankelijk of betrokken en ondersteunend reageert roept dit hechtingsangst op bij het kind. Het wordt bang om verlaten te worden, niet geliefd te zijn, genegeerd te worden of een mislukking te zijn.

Een veilig gehecht kind zoekt naar verbondenheid en ontwikkelt zijn eigen autonomie.

Hechtingsstoornissen

Een kind kan in zijn jonge leventje traumatische ervaringen opdoen die een hechtingsstoornis veroorzaken. Dit kan een blijvend patroon van angstige en vervormde hechtingsgedragingen oproepen, waardoor het kind belemmerd wordt in zijn ontwikkeling en problemen krijgt in het contact met anderen. In eerste instantie gaat dit om de relatie met de ouders, maar dit breidt zich later uit tot alle relaties en bepaalt dus in hoge mate hoe het kind functioneert. Zij hechten zich namelijk aan anderen op de door hen in een onveilige situatie aangeleerde manier.
Kinderen kunnen dus veilig, maar ook onveilig gehecht zijn. Een veilig gehecht kind heeft als basisgevoel: Ik ben OK en jij bent OK, want als ik je nodig heb, ben jij er voor mij. Ik ben dus de moeite waard. Een onveilig gehecht kind heeft dit gevoel niet. Die denkt: Ik ben niet OK en jij ook niet, want als ik je nodig heb, dan ben je er niet. Ik ben dus blijkbaar niet de moeite waard. Al naar gelang zijn persoonlijkheid en de ervaringen die het opdoet zal het kind op een onveilige hechting grofweg op twee manieren reageren: door zich vast te klampen aan de ouders en zoveel mogelijk nabijheid op te zoeken, of door zich te distantiëren van de ouders en zo weinig mogelijk nabijheid op te zoeken. Deze kinderen hebben als het ware de moed opgegeven en zijn er van overtuigd dat ze het helemaal alleen zullen moeten opknappen in het leven. Hechtingsstoornissen kunnen ook optreden in uiterlijk stabiele, maar voor het kind verwarrende en disfunctionele opvoedingssituaties, ook al zijn die niet mishandelend of misbruikend. Batholomew e.a. (2001) onderscheiden in hun onderzoeken naar de verschillende hechtingsvormen twee dimensies van contact, namelijk contact met jezelf en contact met de ander. De polen van contact met jezelf worden gevormd door angst en vertrouwen en de polen van contact met de ander door vermijden en toenadering zoeken. Op basis van de dagelijkse omgang met de ander ontwikkelt het kind daarnaast twee innerlijke concepten: die van het zelf en die van de ander. Het kind ontwikkelt verwachtingen ten aanzien van de beschikbaarheid en ontvankelijkheid van de ouder en ook opvattingen over de eigen ‘liefwaardigheid’. Het concept van het zelf kan worden onderscheiden in een positief zelfconcept: ik ben aandacht en liefde waard en een negatief zelfconcept: ik ben geen liefde en aandacht waard. Op dezelfde manier kan het concept van de ander worden onderscheiden in een positief concept:
de ander is te vertrouwen, beschikbaar, ontvankelijk en een negatief concept: de ander is afwijzend, onbetrouwbaar en afstandelijk.

Tweedimensionaal model hechtingsstijlen (vrij naar bartholomew e.a., 2001).

Vormen van hechting

• Veilige hechting
Kinderen met een veilige stijl van hechten (Ik ben OK en jij ook) hebben een goed gevoel over zichzelf en over hun omgeving, hebben vertrouwen in zichzelf en in hun omgeving en hebben oog voor hun eigen behoeften, maar ook voor die van anderen. Zij maken gemakkelijk contact en worden daarin als plezierig ervaren. Op scheiding van de ouders reageren zij meestal rustig en ze zijn snel te troosten. Zij hebben het basis vertrouwen dat de ouder wel weer terugkomt en durven daarom ook op eigen benen te staan. Zij beschouwen zichzelf als een persoon die de liefde en aandacht van anderen waard is. Zij zien de buitenwereld als welwillend, betrouwbaar en toegankelijk.
Als volwassenen maken zij gemakkelijk intiem contact met anderen en hebben ze weinig problemen om een balans te vinden tussen autonomie en verbondenheid. Zij kunnen zich werkelijk verbinden en werkelijk zelfstandig zijn en kunnen hierin vrijuit keuzes maken. Hun relaties worden gekenmerkt door een hoge mate van vertrouwen, verbondenheid en tevredenheid. Ook uit onderzoek blijkt een veilige hechting samen te hangen met het hebben van bevredigende intieme relaties, het hebben van een groot persoonlijk aanpassingsvermogen en het vermogen empatisch te reageren. Deze personen worden vaak als competente leiders gezien (Weinfield e.a., 1999; Shaver en Mikulciner, 2002).
Omdat zij er behoefte aan hebben om er samen een paar dagen tussen uit te gaan brengen de ouders van Libby (5) hun drie dochters onder bij familie en vrienden. Libby verheugt zich op de logeerpartij bij haar favoriete tante en geniet met volle teugen van alle aandacht die ze daar krijgt en de leuke dingen die ze samen doen. Op de derde avond kan ze echter maar niet in slaap komen. Dan heeft ze dorst, dan moet ze plassen en dan moet ze aan iets engs denken. Wanneer tante op de rand van haar bed komt zitten en haar vraagt wat er nu eigenlijk aan de hand is, zegt
ze ernstig:” Weet je, mijn hoofd wil graag bij jou blijven, maar mijn buikje verlangt zo naar mama…” Tante knuffelt haar en zegt dat ze dat heel goed snapt. “Tenslotte is er niemand zo lief als mama. Weet je wat, ik blijf lekker bij jou zitten en lees je voor tot je slaapt en dan duurt
het nog maar één dagje voor mama er weer is. Zullen we dan morgen iets heel moois voor haar gaan maken?” Libby knikt tevreden en na een kwartiertje worden haar ogenleden zwaar en valt ze in slaap.
Zo klein als ze is weet Libby haar innerlijke dilemma van zorg voor de ander en zorg voor zichzelf haarfijn onder woorden te brengen en ze voelt zich daarin door haar tante gezien en begrepen. Dat is genoeg om haar gerust te stellen.

• Gepreoccupeerde hechting
Kinderen met een gepreoccupeerde stijl van hechten (jij bent OK, ik ben niet OK) klampen zich vast aan de ouders in een onverzadigbare behoefte om waardering en erkenning te voelen. Hun veeleisende gedrag roept vaak juist afweer bij de ouders op, waardoor hun kleverigheid toeneemt. Ouders en kinderen kunnen zo in een negatieve spiraal terecht komen. Deze kinderen voelen zich weinig waard en proberen tot zelfacceptatie te komen via acceptatie door anderen. Wanneer deze kinderen van hun ouders worden gescheiden, raken zij in paniek en kunnen zij moeilijk gerustgesteld worden. Wanneer de ouders terugkomen klampt het kind zich aan hen vast, maar kan ondertussen boos blijven protesteren tegen de scheiding, waardoor ze ook door de ouders dan moeilijk te troosten zijn. Zij durven niet ‘los’ van anderen te staan, want dan hebben zij geen roer meer. Zij doen alles om de liefde van de ouders te behouden, houden hun eigen reacties voor zich en negeren hun eigen behoeften. Hierbij kan parentificatie of rolomkering optreden. Het kind is dan extreem gericht op het welzijn van de ouders, voelt zich snel schuldig en groeit uit tot een dwangmatige verzorger, die eindeloos blijft geven en inwendig steeds bozer wordt, omdat de eigen behoeften niet erkend en vervuld worden. Het hoopt en verwacht dat als het maar genoeg voor anderen doet, die op den duur wel van hem zullen gaan houden.
Volwassenen met deze hechtingsstijl zijn hypergevoelig voor stress en bedreigingen, hebben een hoog niveau van angst en zich ellendig voelen
en hebben conflictueuze en stormachtige relaties, omdat ze de beschikbaarheid van de ander in twijfel trekken en daar voortdurend op gericht zijn, soms op een eisende, theatrale of manipulatieve wijze (Bartholomew e.a., 2001).

Vanwege een sterfgeval in de familie moeten de ouders van Elly (3) een paar dagen weg en gelukkig vinden ze goede vrienden bereid om in die tijd voor hun kleine meid te zorgen. Elly is nog nooit eerder uit logeren geweest en is ontroostbaar wanneer haar ouders weggaan. Ze zit lange tijd snikkend in haar stoeltje naar de deur te kijken. Uiteindelijk houdt het huilen op, maar ze blijft lusteloos en reageert ongeïnteresseerd op alle pogingen om haar af te leiden of aan het lachen te maken.
Wanneer de ouders Elly weer op komen halen zijn ze vol verwachting over hoe blij hun dochter zal zijn om hen weer te zien. Wie schetst hun verbazing als ze verwelkomd worden door een kleine, woedende tornado die zich luid huilend op hen stort. Als moeder Elly probeert te troosten slaat zij haar met haar handjes midden in het gezicht.
“Zo,” is het nuchtere commentaar van de vriendin, “die laat even duidelijk weten dat dat zo maar niet gaat, haar wegdoen. Wat denken jullie wel niet!”

• Angstige hechting
Kinderen met een angstige stijl van hechten (ik ben niet OK en jij ook niet) vermijden intiem contact uit angst afgewezen of gekwetst te worden. De opvoeder is meestal zelf angstig of beangstigend voor het kind en vaak onvoorspelbaar en tegenstrijdig, waardoor het kind bij niemand terecht kan en niet weet wat het moet doen. Het zijn over het algemeen angstige en chaotische kinderen. Ze vluchten zowel van zichzelf als van anderen weg, omdat ze zichzelf als waardeloos en de ander als onbetrouwbaar ervaren. Ze durven zich niet aan anderen te hechten en hebben ook geen band met zichzelf. Scheiding van de ouders en later van anderen roept meestal weinig reacties op. Ze lijken nauwelijks geïnteresseerd in contact, hebben een afkeer van gevoel, gaan hun eigen gang, verwachten niets en worden meestal niet erg aardig gevonden. Dit bevestigt hen in hun gevoel dat ze niet OK zijn. Ze verwaarlozen zichzelf gemakkelijk en kunnen zich te buiten gaan aan roekeloos gedrag, omdat ze geen veiligheid meer zoeken.
Uit onderzoek blijkt dat angstig gehechte volwassenen zich chronisch ellendig voelen en onbevredigende intieme relaties hebben (Bartholomew e.a., 2001).
Isa (9) is geboren in China. Toen ze anderhalf jaar was, is ze te vondeling gelegd voor de deur van een weeshuis. Ze werd geadopteerd door een Nederlands gezin toen ze bijna drie was. De omstandigheden in het weeshuis waren slecht, wat ze daarvoor heeft meegemaakt weet niemand. Isa heeft behoorlijke hechtingsproblemen. Haar nieuwe ouders weten door liefdevolle koestering in combinatie met duidelijkheid en structuur geleidelijk aan haar vertrouwen te winnen, maar met name op school gaat het nog regelmatig mis. Wanneer iets haar niet lukt of ze stress ervaart, wordt ze agressief naar andere kinderen en gooit ze hun spullen kapot. Straffen werkt averechts. De juf zit regelmatig met de handen in het haar. De oplossing blijkt om de tafel van Isa vlak bij
de juf te zetten, zodat ze altijd makkelijk contact met haar kan houden. Als ze rustig is en zich lekker voelt mag ze tussen de andere kinderen zitten, maar zodra ze onrustig wordt haalt de juf haar weer dichtbij. Op deze manier wordt een vicieuze cirkel doorbroken. Agressief gedrag leverde eerst afstand op (straf), waardoor de hechtingspaniek alleen maar groter werd. Nu ervaart Isa juist contact en nabijheid wanneer ze dit het meest nodig heeft, maar het tegenovergestelde uitlokt. Het streven naar nabijheid en contact van de juf overwint langzamerhand het negatieve, contactverbrekende gedrag van Isa. Aan het eind van het schooljaar vertelt de juf dat ze er in het begin huizenhoog tegen op zag om naar school te gaan vanwege het problematische gedrag van Isa. Nu moet ze huilen omdat Isa weggaat uit haar klas. Ze zijn samen echte maatjes geworden.

• Vermijdende hechting
Kinderen met een vermijdende stijl van hechten (ik ben OK, jij bent niet OK) stralen een gevoel van onafhankelijkheid en onkwetsbaarheid uit, maar zijn dit niet. Ze willen wel aandacht en steun, maar zenden een andere boodschap uit. Deze kinderen reageren nauwelijks op een scheiding van hun ouders, zij gaan gewoon door met spelen. Bij terugkomst van de ouders negeert het kind dit. Maar ondanks de schijnbare kalmte blijkt er een sterke fysieke opwinding te zijn tijdens de hereniging. Hierdoor wordt aangenomen dat de vermijding die deze kinderen laten zien defensief is en een poging om de eigen behoefte aan troost en nabijheid te onderdrukken.
Ze hebben geen vertrouwen in de beschikbaarheid van de ouder. Zij zijn boos en gefrustreerd, maar tegelijkertijd heel kwetsbaar. Ze beschermen zichzelf door stoer te doen en hebben een grote mond om niet te laten merken dat ze de ander nodig hebben. Liefde en koestering nemen ze moeilijk op. Ze verdedigen zichzelf tegen vermeende aanvallen, verzetten zich tegen nabijheid en willen hun eigen gang gaan. Ze lijken goed voor zichzelf te kunnen zorgen, maar hebben
geen contact met wat ze werkelijk nodig hebben in relaties.
Als volwassenen vinden ze het normaal dat anderen er voor hen zijn, maar zij hechten zich niet aan anderen uit angst hun positie kwijt te raken. Ze beschermen zich hiertegen en tegen teleurstellingen door echte intimiteit in relaties
te vermijden en zich tegen iedere vorm van autoriteit te verzetten. Het is voor hen belangrijk het zelfbeeld van onafhankelijkheid te handhaven
en ze vragen daarom zelden om hulp. Zij lossen hun problemen liever zelf op. Zij gedragen zich quasi zelfstandig. Zij vallen niet op in gezelschap, nemen geen initiatief tot contact en tonen vaak weinig emoties. Zij relativeren het belang van sociale contacten en richten zich op de meer onpersoonlijke aspecten van het leven, zoals werk en hobby’s. Zij worden gemakkelijk kwaad of agressief, mogelijk als gevolg van de ongevoeligheid en de afwijzing door de ouders, hebben een hoge mate van zelfachting en een geringe mate van verdrietige en depressieve gevoelens.
Leon (12) woont sinds een jaar of twee in een pleeggezin, omdat zijn verslaafde moeder niet voor hem kan zorgen. Hij maakt weinig contact en gaat het liefst zijn eigen gang. Als het aan hem lag zat hij de hele dag achter de computer. Maar pleegmoeder Emmy merkt wel dat hij stiekem geniet van de interacties in het gezin.
Hij gaat dit weekend voor het eerst sinds lange tijd naar zijn moeder. Omdat Emmy hoopt dat ze op die manier wat meer contact kan krijgen, besluit ze hem niet op de trein te zetten, maar zelf met de auto te brengen. In de auto is het stil. Leon trekt al snel zijn pet voor zijn gezicht en doet of hij slaapt. Na een tijdje probeert Emmy contact te maken. “Denk je ergens aan,”vraagt ze. “Hmmmm…” is het gemompelde antwoord. “Ik ben benieuwd hoe het voor je is om naar je moeder te gaan?” Stilte. “Het lijkt me best lastig voor je. Je bent kind in ons gezin en kind van je moeder,”mijmert Emmy voor zich uit, “ingewikkeld hoor.” Een hele tijd komt er geen reactie. Dan haalt Leon ineens zijn pet uit de ogen, gaat rechtop zitten en zegt:”Weet je Emmy, ik vind het eigenlijk niet zo fijn om weer naar huis te moeten en daar voel ik me rot over.” Hierna ontspint zich een gesprekje over de loyaliteitsconflicten die hij ervaart in het contact met zijn pleegouders en zijn moeder. Emmy is vol begrip, maar beklemtoont dat zij het wel belangrijk vind dat hij contact met zijn moeder houdt. Leon knikt zuchtend en zakt weer onderuit.
Voor hij uitstapt knijpt hij haar even in de arm. “Tot zondag,”zegt hij en dan is hij weg.
(vrij naar Belle, 2012)

Ik ben ok en jij ook, maar ook weer niet.

Ambivalente hechting
Kinderen met een ambivalente stijl van hechten
(ik ben OK en jij ook, maar ook weer niet) hebben een sterk verlangen naar liefdevolle aandacht van de ouder en zijn hier voortdurend in positieve en
in negatieve zin mee bezig. Het ene ogenblik klampen zij zich aan de ouder vast en doen alles om nabijheid te ervaren (gepreoccupeerde stijl)
en het volgende ogenblik verbreken ze woedend
het contact, omdat ze niet precies krijgen wat ze zoeken (vermijdende stijl). Er is een grote angst om veronachtzaamd te worden en de aandacht van de ouder kwijt te raken. Zodra iets in het gedrag van de ouder daarop lijkt voelen zij zich diep gekwetst en afgewezen, trekken zij zich stampvoetend terug of kunnen zij in grote woede ontsteken. Het ene ogenblik voelen ze zich klein en onzeker en hebben ze je nodig, het volgende ogenblik hebben ze een grote mond, gaan ze te keer en willen ze niets met je te maken hebben. Zij willen heel graag hechten, maar zijn tegelijkertijd doodsbang voor de teleurstelling. Zij hebben weinig controle over hun impulsen en emoties.
Ze huilen snel en zijn vlug boos. Het zijn vaak allemansvriendjes met weinig gevoel voor een kloppende afstand of nabijheid. Het verwarrende is vaak dat het lijkt alsof je een wederkerig contact met hen hebt, maar dat blijkt meestal niet zo te zijn. Deze kinderen zoeken contact voor hun eigen behoeftebevrediging en zijn er niet of nauwelijks mee bezig wat jij van hen nodig hebt. Als volwassene is het daarom moeilijk voor hen om bevredigende, duurzame relaties aan te gaan. Zij vertonen een patroon van aantrekken en afstoten, van openstellen voor en op handen dragen van de ander naar een verbreken van het contact en de ander de grond in boren. Het is dit hechtingspatroon dat het meest ten grondslag ligt aan de ontwikkeling van de borderline persoonlijkheidsstoornis.
Groepsleider Evert is de hele dag met Johnny op stap geweest. Lachend en stoeiend komen ze binnen. Johnny hangt om Evert’s nek en het is duidelijk dat ze samen een leuke tijd hebben gehad. Eenmaal binnen trekt één van de andere pupillen de aandacht van Evert en deze gaat daarop in. Johnny wordt woedend en schreeuwt dat Evert een klootzak is die altijd andere kinderen voortrekt. Met slaande deuren stuift hij naar zijn kamer. Na een tijdje gaat Evert hem achterna. “Luister Johnny, ik begrijp best dat je mij niet graag deelt met de andere kinderen, zeker niet als we het zo leuk hebben gehad. Dan wil je dat dat zo blijft. En dat blijft ook zo, maar de anderen hebben ook aandacht nodig. Dat betekent heus niet dat ik hen voortrek, of belangrijker vind dan jou, snap je dat?”
Johnny pruttelt verongelijkt na. “Kom op kerel”, zegt Evert, “Geef me de vijf! We zijn toch vrienden? Ik ga hier niet weg voordat het weer goed tussen ons is.” Nog wat mopperend staat Johnny op en geeft Evert een stomp. Die slaat een arm om hem heen en samen gaan ze naar beneden.

Omgaan met hechtingsstoornissen

Hechting is dus het gevolg van goed contact maken. Goed contact maken is een interpersoonlijk proces met de ouder als verantwoordelijke persoon. Dit betekent dat het aan ons is om op
zodanige wijze contact te maken dat het kind zich durft te hechten. Wij kunnen er niet op wachten dat het kind zich zo gedraagt dat wij persoonlijk contact durven maken. Dat is een omdraaien van de verantwoordelijkheden. Juist bij hechtingsproblematiek is voorwaardelijke liefde een valkuil, omdat dit het kind bevestigt in zijn idee dat het niet OK is: éérst moet het veranderen, pas dan kunnen we er van houden. Vaak wordt gesteld dat hechtingsproblematiek een contra-indicatie is voor persoonlijk contact, omdat het kind dat niet aan zou kunnen. Het tegendeel is waar! Hechtingsproblematiek is juist het alarmsignaal dat een kind hunkert naar persoonlijk contact, maar dat het niet weet hoe het dit aan moet pakken. Het kind moet dus in de gelegenheid worden gesteld om dit wel te leren en te durven kunnen, anders laten we het opnieuw in de steek. Daarbij moeten we het kind niet dwingen, maar wel uitnodigen. Met begrip, gevoel, aandacht en geduld, maar vooral door je eigen behoefte aan contact te volgen. Wanneer een kind zich moeilijk hecht, betekent dit dat jij je moet hechten aan het kind! Dat kind heeft zich waarschijnlijk niet kunnen hechten, omdat er niemand was die zich veilig aan hem hechtte en er voor het kind dus gewoon geen veilige situatie was om zich te kunnen hechten.

Alles draait om contact

Menselijk gedrag leren we met name door voorbeeld en ervaring.
Wanneer een kind niet ervaart dat een ouder zich onvoorwaardelijk aan hem hecht en ook geen voorbeeld krijgt van wat goed contact inhoudt, weet het zelf niet hoe het goed contact moet maken. Het wordt op zichzelf teruggeworpen en gaat als het ware ‘in het wilde weg’ contact maken. Kinderen met een hechtingsstoornis zijn in een ‘vrije val’ geraakt en zij komen niemand tegen die deze val breekt. Dit leidt vaak tot gedrag dat door de buitenwereld als verstoord wordt ervaren.
Angst overheerst hun hele doen en laten en zij zijn voortdurend bezig zich zeker te stellen. Zij komen er niet aan toe te spelen of hun omgeving te onderzoeken en ontwikkelen daardoor ook geen gevoel van eigenheid of van competentie. Hun zekerheid hangt af van hun omgeving. Zij slokken verzorgende aandacht op, maar voelen zich zelden gerustgesteld. Zij zoeken veiligheid en geborgenheid, maar lijken die nergens te vinden. Mensen
krijgen sterk de neiging het kind af te wijzen, omdat er veel investering gevraagd wordt en weinig teruggegeven. Omgaan met een kind dat weinig teruggeeft is op den duur heel zwaar.
De kunst is om door het apatische of vijandige gedrag heen te kijken en te weten dat het kind zo reageert omdat het zich onzeker en kwetsbaar voelt. Te weten dat iedere keer dat het contact wordt verbroken zijn negatieve overtuiging dat niemand van hem kan houden wordt bevestigd. Werken met kinderen met hechtingsproblematiek betekent dus dat wij voortdurend respectvol het contact moeten blijven zoeken en steeds moeten laten voelen en ervaren dat wij veilig zijn als constante factor voor hechting. Het kind moet ten allen tijde op ons kunnen rekenen, zodat het weet dat het ons niet kwijt zal raken, hoe vreemd zijn gedrag ook is.
Dit betekent niet dat we alle gedrag van het kind moeten accepteren. We moeten aansluiting zoeken bij het kind en het liefdevol benaderen, binnen het eveneens nodige kader van regels en structuur. We hoeven dus het gedrag niet te accepteren, maar we moeten wel altijd het kind zelf respecteren. We moeten vooral geïnteresseerd zijn in het kind àchter het gedrag, onderzoeken wat zijn drijfveren, zijn ‘goede redenen’ voor dit gedrag zijn en laten merken dat we het graag samen goed willen hebben. Om dit te bereiken is het van belang een goede balans te vinden tussen wat het kind wil en nodig heeft en wat wij zelf willen en nodig hebben.

Hechtingsproblemen zijn relatieproblemen

Bij een kind met hechtingsproblematiek moeten we ons niet blind staren op de diagnose en daarmee de blik strak op het kind gericht houden. Hechtingsstoornissen zijn relatiestoornissen en horen dus in feite niet thuis bij diagnoses die individueel gesteld worden. Ieder kind heeft een aangeboren drang, een aangeboren verlangen zich te hechten. Een niet goed verlopen hechting is over het algemeen het resultaat van een niet goed verlopen interactioneel proces.
De ervaringen die mensen in interactie met elkaar opdoen vormen hen tot wie ze zijn. Het is ook in interactie dat mensen andere, betere ervaringen kunnen opdoen en zich zo omvormen tot wie ze kúnnen zijn. Het is dus met name bij hechtingsproblematiek zaak om ons te richten op de inter-
actie mogelijkheden tussen ouder/verzorger en kind. Het kind moet iemand tegen komen, anders blijft het vallen. Het positieve hierbij is dat we ons niet richten op de problemen en de onmogelijkheden, zoals die verwoord zijn in diagnoses gebaseerd op het verleden, maar dat we ons richten op de mogelijkheden die er zijn in de interactie in het hier en nu, zodat het morgen hopelijk beter zal gaan.
De beste manier om contact te maken met kinderen is spelen. Dit is ook precies wat niet veilig gehechte kinderen nog moeten ontwikkelen. Ze moeten nog gewoon kinderen kunnen zijn en spel is de wereld van het kind. We kunnen dus het beste contact met hen proberen te maken op een speelse en ongedwongen manier, zodat zij tijd en ruimte hebben om hun wantrouwen om te zetten in vertrouwen.

Rol van de hulpverlener

Om goed contact te kunnen maken moeten we bovendien persoonlijk kunnen en durven zijn.
We moeten zelf goed contact hebben met wat we wel en wat we niet willen en daar op constructieve wijze duidelijk over kunnen zijn. Dit is voor mensen die in de hulpverlening werken lang niet altijd gemakkelijk. Zij zijn vaak meer gericht op de ander en wat die nodig heeft dan dat ze stil staan bij wat ze zelf ervaren, willen, denken en nodig hebben. Hulpverlenende beroepen worden meestal gekozen door mensen die gevoelig zijn voor andermans problemen. Dit is natuurlijk een mooie persoonlijke eigenschap en een absolute voorwaarde voor een hulpverlenend beroep. Tot zover is er dan ook niets aan de hand, mits deze zorg voor anderen in evenwicht is met een goede zorg voor jezelf. Dat blijkt in de praktijk lang niet altijd het geval te zijn. Hulpverleners zijn over het algemeen beter in zorg voor de ander dan zorg voor zichzelf. Dit leidt er vaak toe dat zij sterk cliëntgericht, in dit geval kindgericht, gaan werken en het contact met zichzelf kwijtraken. Maar om goed contact te kunnen maken met de ander moet je goed contact hebben met jezelf. Om veilig te zijn voor kinderen met hechtingsproblemen moet jij weten wie je bent, wat je wel en niet wilt en wat jijzelf nodig hebt.
Jij moet zelf staan als een huis om hun rots in de branding te kunnen zijn. Zodat zij hun scheepje weer recht op de golven kunnen krijgen en uiteindelijk in veilige haven binnen durven varen.

Wil jij je kennis en vaardigheden t.a.v. het werken met hechting verdiepen? En dan specifiek gericht op (hechtings)trauma en lichaamsgericht werken? Schrijf je dan in voor de training Gestaltwerk en lichaamswerk-trauma .

Tijdens onze opleiding komt het werken met hechting en hechtingsstoornisen ook uitgebreid aan de orde. Wil je een keer kennismaken en geïnspireerd worden? Kom dan eens naar een van onze gratis Experience Days. Tijdens deze dagen laten we je zien hoe wij opleiden, hoe we omgaan met symptomen en wat onze visie op inspirerend hulpverlenerschap is. Middels live sessies, inspirerende colleges en videoanalyses brengen we de theorie heel dichtbij.  Deze dag is geheel gratis en je krijgt er SKJ en Registerpleinpunten voor. Wel vragen we een bijdrage voor de lunch. 

 

Sonja Bouwkamp

Nascholing Gestaltwerk & lichaamswerk-trauma

“Het lichaam vergeet trauma’s niet, het lichaam is een levend wezen met een volledige herinnering aan wat er is gebeurd.” Uit een interview met Alice Miller.

Ben jij hulpverlener of therapeut en wil je je verder ontwikkelen in het werken met trauma? In deze nascholing gaan we vooral zelf veel ervaren, we leren contact te maken met ons lichaam, onze emoties en met onze gedachten in het hier en nu! Dit door middel van o.a. lichaamsgerichte oefeningen.

Hulpverlener of therapeut gezocht?

Ben je op zoek naar een hulpverlener of therapeut?  Misschien dat één van de hulpverleners of therapeuten uit ons netwerk je verder kan helpen. 

Therapeutennetwerk

Share This