Weerstanden en mogelijkheden bij het bespreken van seks in de hulpverlening

Voorspel

Ondanks dat we allemaal overspoeld worden door beelden over “het” en dat iedereen technisch gezien alles kan weten, is het me opgevallen wat een taboe er nog heerst over gewoon praten over “het” en hoe men “dinges” beleeft.
Ik heb dat bij mezelf gemerkt, omdat ik het moeilijk vind om “het” te bespreken met cliënten, maar ook bij de mensen om mij heen en de lacherigheid die er ontstaat als ik mensen vertel over dit onderwerp. Ook viel me op dat in literatuur voornamelijk gesproken wordt over de meer technische of zwaar problematische kanten van “dinges” en hoe je diagnoses kunt stellen. Maar over hoe je “er” nou met cliënten over praat, of cliënten er samen over kunt laten praten, daar wordt naar mijn mening weinig over geschreven.
Daar wil ik in dit artikel dieper op in gaan. Ik wil nagaan hoe het bespreken van “het” in hulpverleningsgesprekken regelmatig wordt vermeden, wat het belang ervan is om “het” wel te bespreken, wat de mogelijkheden zijn om dit
te doen en welke rol de Ervaringsgerichte Psychosociale Therapie (EPT) hierbij kan vervullen.
Terugkijkend naar mijn eigen ervaring bij het Algemeen maatschappelijk werk vond ik in eerste instantie dat ik “het” weinig ter sprake bracht tijdens cliëntgesprekken en heb ik overwogen of ik wellicht standaard in een intake naar de beleving van “het” zou moeten vragen. Ik kwam er al snel achter dat dit me gewoon niet zomaar lukte. Vervolgens heb ik een tijd gedacht dat het wellicht noodzakelijk was om allerlei kennis van “dinges” te hebben als je “het” op een goede manier wilt bespreken.
Uiteindelijk ben ik erbij uitgekomen dat “het” een intiem onderwerp is en blijft en dat het normaal is en erbij hoort dat je “er” niet zomaar over praat. En als “het” een probleem is tussen twee partners, is “dinges” ook een onderwerp waar je gewoon over kunt praten. De EPT is voor mij een heel bruikbare en werkbare methode gebleken om partners “hierover” met elkaar te leren praten.

Kunnen mannen en vrouwen met elkaar praten over seks?

Mannen en vrouwen hebben ieder een eigen, een andere beleving van seks. Bovenstaand “spel” geeft een belangrijk, veel voorkomend verschilpunt aan in de seksuele beleving tussen mannen en vrouwen. Er zijn natuurlijk nog genoeg andere verschillen. Het is nou eenmaal zo dat je in een relatie vroeg of laat verschillen bij elkaar tegenkomt, ook in de seks.

Een bevredigend seksleven is belangrijk. Het geeft niet alleen seksuele, maar ook emotionele bevrediging. Vrijen brengt je ook op emotioneel vlak dichter bij elkaar. Je partner is immers (althans in een monogame relatie) de enige met wie je vrijt. Het onderscheidt je partner van al die andere mensen in je leven en maakt hem of haar speciaal. Een goede seksuele relatie verhoogt de kans dat je relatie goed blijft, vermindert de kans op echtscheiding en geeft ook buitenechtelijke relaties minder kans.

Uit het onderzoek ”Seksuele gezondheid in Nederland 2006” van de Rutger Nisso Groep blijkt dat de seksuele gezondheid van mensen nauw samenhangt met hun geestelijk welbevinden. Een kwart van alle psychische klachten bij zowel mannen als vrouwen is gerelateerd aan uiteenlopende seksuele gezondheidsproblemen. Een belangrijke conclusie is dat seksuele gezondheid een substantieel onderdeel vormt van de algemene gezondheid.

Een gegeven dat ook uit onderzoeken naar seksualiteitbelevingen naar voren komt is dat “praten over je seksuele wensen en gevoelens” belangrijk is. Dat klinkt logisch en lijkt makkelijk, maar dat is het blijkbaar niet.
Een van de moeilijkheden met praten over seks is dat je om te praten taal nodig hebt en het is in gewoon “net” Nederlands niet zo gemakkelijk om woorden te vinden voor seks en geslachtsdelen. Om te voorkomen dat ze grof worden, gebruiken veel mensen vage termen. De communicatie wordt daar niet helderder van. Wat het praten over de beleving van seks ook moeilijk maakt, is dat de verwachtingen van seks door al die gepassioneerde seks in films, reclames en op tv alleen maar opgeschroefd worden. Hierdoor groeit het verschil met je eigen ervaringen in je eigen relatie en daarmee ook de onzekerheid en teleurstelling daarover. Je zou kunnen zeggen dat we geen realistisch beeld meer voorgespiegeld krijgen over hoe een gewone seksuele relatie eruit mag zien.
Een andere moeilijkheid bij het praten is, dat we ons op het gebied van seks kwetsbaar voelen. Een opmerking dat je iets niet fijn vindt kan heel hard aankomen bij de partner en met name vrouwen zijn zich daarvan bewust. Ze houden die opmerkingen vaak voor zich, maar sluiten zich daarna wel af, of zijn op hun hoede tijdens het vrijen, om er voor te zorgen dat dit onprettige hen niet weer overkomt.

Helaas kunnen gebrek aan kennis of misverstanden over de beleving van seks op die manier veel frustratie, verdriet en boosheid veroorzaken. Om samen te kunnen genieten van seks helpt het als je begrijpt wat zich in je eigen lijf en hoofd afspeelt én in dat van je partner. Dat je er bijvoorbeeld op kunt vertrouwen dat de ander je grenzen zal respecteren. Daarom is het belangrijk dat partners samen over hun beleving van seks kunnen praten.

Ik kom in mijn werk als algemeen maatschappelijk werker tegen dat paren moeilijk met elkaar over de verschillen in seksualiteitsbeleving kunnen praten.

Bij twee cliënten van mij, Ronald (30) en Heleen (29) heeft zij minder zin in seks dan hij. Vervolgens is Heleen bang dat Ronald “tekort” komt en dat hij zijn seksuele behoefte ergens anders gaat bevredigen (porno, vreemd gaan, internet). Ze geeft dan toe aan seks, maar gaat dus over haar grens en voelt zich dan achteraf gebruikt. Zo krijgt ze steeds minder zin en voilà de vicieuze cirkel is rond. Problemen op seksueel gebied kunnen op deze manier tussen een stel in gaan staan.

Als je er niet samen over kunt praten, kunnen de verschillen in beleving veel spanningen geven, met als gevolg bijvoorbeeld vermijdingen van genegenheid, of toch maar toegeven aan seks om de ander te plezieren en niet kwijt te raken. Dit kan veel negatieve invloed op de relatie hebben. Ook komt het voor dat machtsconflicten die elders in de relatie ontstaan, uitgevochten worden op seksgebied: het “voor wat, hoort wat” principe. Vaak is men zich niet meer bewust van deze samenhang. De problemen die stellen tegenkomen op andere gebieden en die ze niet opgelost krijgen, kunnen dan doorspelen in de seksuele relatie.

Het is dus belangrijk om op de een of andere manier de verschillen in seksualiteit te overbruggen, want als paren dat niet lukt ontstaan er conflicten, die inbreuk maken op hun welzijn. Als een stel daar niet samen over kan praten, kunnen de verschillen in de beleving van seksualiteit hen uit elkaar drijven. Dan is het dus belangrijk dat ze daar samen over leren praten.

De weerstand bij hulpverleners om ‘het’ ter sprake te brengen

Het zou logisch zijn als seks en de beleving daarvan een belangrijk onderdeel van relatiegesprekken zouden zijn. Want een hulpverlener heeft een vertrouwensrelatie met zijn cliënt en dus zou een cliënt met een seksueel probleem voor de dag moeten kunnen komen, maar vaak gebeurt dat niet. Meestal komen de seksuele problemen helemaal niet ter sprake: de cliënt onderkent de moeilijkheden niet, of durft ze uit schaamte niet aan de orde te stellen. Het lijkt dus belangrijk dat de hupverlener helpt om seksuele problemen bespreekbaar te maken. Maar gebeurt dit ook, doen hupverleners dit? Ik vraag me dit af, omdat ik er bij mezelf, ondanks dat ik er in mijn persoonlijk leven vrij gemakkelijk over praat, in hulpverleningsgesprekken behoorlijk wat eigen weerstand in tegenkom.

In een artikel in Maatwerk komt naar voren dat het niet bekend is hoeveel maatschappelijk werkers als vast onderdeel van de intake of tijdens de begeleiding bij cliënten nagaan of er problemen zijn met betrekking tot seksualiteit. Wel is zeker dat er meer naar mogelijk seksueel misbruik, dus naar de problematische kant wordt gevraagd, dan naar andere aspecten van seks.
Seksualiteit en de beleving ervan wordt waarschijnlijk in de hulpverlening weinig besproken. Uit literatuur blijkt dat veel hulpverleners schroom en schaamte ervaren om seks te bespreken. Ze hebben het idee dat seks een te intiem onderwerp is om concreet op in te gaan. Ook leeft er de angst of onzekerheid om voyeuristisch te zijn. Men is bang dat het stellen van vragen rondom seksualiteit op een onbescheiden belangstelling voor het privé leven van de cliënt zal lijken. Sommige hulpverleners zouden weerstand ervaren om seks ter sprake te brengen, omdat ze denken dat door het bespreken van mogelijke seksuele problemen, dergelijke problemen ook zullen ontstaan, terwijl ze er vroeger niet waren. Het is mij verder opgevallen tijdens gesprekken die ik met andere hulpverleners over dit onderwerp had, dat ook andere factoren een rol spelen, die ik niet in de literatuur teruggevonden heb. Het verschilt voor de meeste hulpverleners wie je tegenover je hebt. Het blijkt namelijk gemakkelijker te zijn om met cliënten gesprekken over seks te hebben als die cliënt van het zelfde geslacht is als de hulpverlener zelf. Mannelijke hulpverleners kunnen bijvoorbeeld remmende gedachtes hebben in gesprek met een vrouwelijke cliënt zoals “misschien denkt ze als ik daarnaar vraag dat ik wat van haar wil”, of “als ze maar niet denkt dat ik naar haar borsten kijk”.
Of ook “ik vind de cliënte wel aantrekkelijk, dan ga ik het er zeker niet over hebben”. De angst om een cliënt aantrekkelijk te vinden, leidt dan ook tot blokkades om seks te bespreken.

Kan de EPT helpen?

Ik heb in mijn “zoektocht” veel literatuur nageslagen op hoe je nou in een hulpverleningsgesprek seksualiteit kunt bespreken. Uit al de gelezen literatuur vond ik nog niet echt een antwoord op mijn vraag: Hoe DOE je dat nou, praten over seks met cliënten. Wel vond ik veel uitleg over
technische seksuele problemen en hoe die eventueel (via het medische model) op te lossen zijn. Ook vond ik tips of gesprekstechnieken die eigenlijk ook voor andere onderwerpen gelden en ingewikkelde rijtjes die je af moet lopen om tot een diagnose te komen.
Maar: Hoe praat je er nu over?! En hoe leer je cliënten met elkaar te praten over hun seksuele problemen op een constructieve manier, zodat ze het in het vervolg zelf samen kunnen.

Ik wil het hier hebben over die elementen uit de EPT die in mijn ogen helpend kunnen zijn om seksualiteit te bespreken met cliënten.
De EPT gaat ervan uit dat problemen altijd spelen tussen mensen, en vindt dat die ook tussen mensen opgelost moeten worden. Dit geldt natuurlijk helemaal voor seksuele problemen. Dus het allerbelangrijkste is om bij seksuele problemen de partners samen op gesprek te hebben en met elkaar hun problemen te laten bespreken. Vervolgens kun je ze als hulpverlener leren hoe ze dit effectiever en bevredigender kunnen doen. Extra voordeel van de seksuele problemen bespreekbaar laten zijn tussen de partners in plaats van in een individueel gesprek is dat je minder in een seksueel getinte relatie met je cliënt terecht kunt komen.

Twee uitgangspunten van de EPT zijn voor mij heel belangrijk gebleken voor het effectief kunnen bespreken van verschillen in de seksuele beleving, namelijk: “Maak het onduidelijke duidelijk en maak onpersoonlijke boodschappen persoonlijk”:

Heleen zegt tegen mij dat zij en Ronald nauwelijks meer “intiem” zijn en dat zij degene is die daar verminderd zin in heeft. Ze voelt zich bezwaard, maar weet ook dat als ze “het” wel doet voor hem, dat ze zich dan ook niet fijn voelt. Heleen is hier erg vaag in wat ze bedoelt (ook al denk je het als hulpverlener misschien wel te begrijpen). Ook praat ze tegen mij in plaats van tegen haar partner. Ik vraag haar om concreter te zeggen wat ze bedoelt met “intiem zijn”, en om haar precieze problemen hiermee te vertellen aan haar partner.

“Maak het onduidelijke duidelijk”: hierbij gaat het erom dat het voor effectief contact met de ander nodig is om een duidelijke, ondubbelzinnige boodschap uit te zenden. Om dit voor elkaar te krijgen gebruikt de EPT de volgende richtlijnen:

  1. maak het algemene specifiek en vraag door tot je een concreet punt hebt.
  2. maak het abstracte concreet en vraag om een concreet en relevant voorbeeld.
  3. maak het vage duidelijk en vraag om verheldering.
  4. concretiseer: ga door met vragen totdat je precies weet waar de cliënt een probleem mee heeft.

Mevrouw Jansen is weduwe en vertelt over haar overleden man. Ze heeft het erover dat haar moeder, die erg overheersend en claimend was, tijdens haar huwelijk vele jaren bij hen in huis woonde. Ze denkt nu achteraf dat ze daardoor haar man veel tekort heeft gedaan en daar is ze alsnog heel verdrietig om.
Omdat het voor mij algemeen is wat ze bedoelt met “tekort gedaan” vraag ik hier over door (1). Ze heeft het aarzelend over “niet in je blootje door huis lopen en niet aanhalen”. Ik breng een beetje met humor, dat het mij ook helemaal niks lijkt als mijn moeder steeds in huis is, om dan in haar bijzijn mijn man te knuffelen en dat ik me ook niet heel open en vrij in mijn eigen slaapkamer zou voelen! Mevrouw licht op, dat is wat ze bedoelt…(3). Daarna kan ik verder met haar praten over hoe zij haar seksuele relatie met haar man heeft ervaren.

“Maak onpersoonlijke boodschappen persoonlijk”: bij dit punt gaat het erom dat de hulpverlener erop let dat de cliënt persoonlijk is in zijn boodschappen. Omdat persoonlijk zijn het middel is hoe mensen kunnen leren om voor zichzelf en anderen duidelijkheid te geven over wie zij zijn en over wat er in hen omgaat. Daarvoor let de hulpverlener erop dat de cliënt:

  1. niet praat over de ander, maar over zichzelf, (“Jij hebt nooit zin ik mis dat jij ook zin in mij hebt”. “Jij praat nooit ik heb het nodig om eerst samen te praten, ik wil graag afspreken dat we daar tijd voor nemen.”)
  2. “praten voor de ander” omzet in “praten tegen de ander”. Daarom vindt de EPT het ook altijd zo belangrijk dat de partner erbij is en dat er dan ook met die partner wordt gesproken en niet tegen de hulpverlener.. ( “Zij heeft nooit zin wordt dan: “Ik vind het zo jammer dat je zo weinig zin hebt”.)
  3. vragen omzet in beweringen en uitspraken, omdat een vraag vaak een verkapte bewering is, waarbij de vragensteller vermijdt te zeggen wat hij zelf denkt of verlangt. (”Zullen we naar boven?” wordt dan: “Ik heb zin om met je te vrijen, zullen we naar boven gaan”?)

De heer Kleinveld heeft gedurende ruim een jaar een zeer intensieve relatie met een vriendin gehad, naast zijn huidige vrouw. Als ze bij mij komen is dit contact wel al wat verminderd, maar niet gestopt, want mevrouw Kleinveld dacht het eerst wel te kunnen hebben. Maar gaandeweg bleek het toch een enorme impact te hebben op haar vertrouwen in hun band. Al pratende hierover is ze erg vaag en geeft ze vooral af op die andere vrouw. Ze probeert haar man de les te lezen, waarom hij die vrouw toch zelf haar problemen moet laten oplossen. Ze praat dus niet over zichzelf, maar over haar man en die vriendin (1).

Ik bemerk bij mezelf een vervelend gevoel door de toon waarop zij hem probeert te beleren en realiseer me dat zij dus niet persoonlijk zegt, waar het haar zelf om gaat. Ik vraag haar om persoonlijk te zijn en tegen haar man te zeggen wat zij nodig heeft. Ze vervalt in herhaling. Opnieuw vraag ik haar naar haar persoonlijke behoeften, omdat ik dat als hulpverlener nodig heb. Heel aarzelend komt er dan uit, dat ze er eigenlijk helemaal niet meer tegen kan dat hij nog iets van contact met die andere vrouw heeft. Ze vindt het heel moeilijk om te zeggen, omdat ze weet hoe belangrijk deze andere vrouw voor haar man is, maar ze kan het gewoon niet meer aan. Dankzij het blijven doorvragen met de nadruk om persoonlijk te zijn is mevrouw eindelijk concreet, open en helemaal zichzelf. Op een gegeven moment weet ze heel helder dat ze niet met haar man wil samenwonen, als hij er toch voor kiest om contact te hebben met deze vrouw. Ze kan dit zeggen met respect voor hem.

Mevrouw de Wit begint tegen mij te praten en niet tegen haar partner, over wat ze van haar man op gebied van seks vindt: “als hij zo op mij op en neer gaat, dan vindt ik hem net een beest. Als ik hem dan toch zijn gang laat gaan, voel ik me ontzettend rot. En dan zegt hij achteraf ook nog: “het was toch niet zo fijn”, daar zakt dan mijn broek van af.” Ondertussen zucht en steunt haar man verlegen dat het niet waar is, dat het anders was.
Ik heb de woordenstroom onderbroken, omdat ik het niet langer aan kon horen en ik me gegeneerd voelde. Bovendien vond ik dat mevrouw de Wit op deze manier tegen mij aan het roddelen was over haar man, waar hij bij was. Ze was niet persoonlijk tegen hem. Ik heb haar gezegd dat het niet mijn behoefte is dit alles te weten, maar dat ik graag heb dat ze tegen haar partner zegt waar ze last van heeft en ook hoe ze het graag anders wil.

Naspel

Er wordt in de hulpverlening dus weinig over seks gepraat. Ik vind dit in de literatuur, ik bemerk de moeilijkheid bij mezelf en hoor het van collega’s. De belangrijkste weerstanden die hulpverleners tegenkomen zijn schaamte, schroom, het is een te intiem onderwerp, men is bang niet genoeg te weten en er wordt voor de cliënt ingevuld dat deze het een te intiem onderwerp zal vinden.
Uit verschillende bronnen komt terug dat de hulpverlener de seksbeleving in de relatie meer ter sprake zou mogen brengen. En daar zijn weer in allerlei boeken tips, methodieken en vaardigheden voor opgeschreven, zodat een hulpverlener op zijn minst een mini-anamnese kan afnemen en een cliënt kan doorverwijzen. Deze vaardigheden heb ik grotendeels als technisch en zakelijk ervaren, waarbij voor mij de drempel om seks te bespreken nog steeds hoog bleef.

De EPT heeft voor mij zondermeer een meerwaarde om het onderwerp seksualiteit bespreekbaar te maken, alleen al omdat de hulpverlener zich persoonlijk, gelijkwaardig, direct en oplossingsgericht opstelt. Maar vooral ook, omdat je altijd met beide partners werkt en hen leert om samen te praten over hun seksuele problemen. Dan hoeven de cliënten niet met een diagnose naar huis, maar gaan ze met ervaringen waardoor ze elkaar beter begrijpen. Het gaat er dan voornamelijk om hoe de cliënten praten over seks, net zoals dit belangrijk is wanneer ze praten over elk ander willekeurig onderwerp.
Voor mij is het nadenken over dit onderwerp heel leerzaam geweest. Het heeft een antwoord op veel van mijn vragen gegeven: ik hoef dus niet bijzonder veel te weten over seks en ik hoef me niet te forceren seks altijd ter sprake te brengen. In contact met mijzelf kan ik als hulpverlener op mezelf blijven vertrouwen. Daarbij moet ik er op letten dat de partners met elkaar over seks praten als ik vermoed dat ze
dit zelf willen, ook als ze dit niet direct aangeven. En ik moet er daarbij opletten dat ze persoonlijk, concreet en constructief blijven.

Bronnen

Bouwkamp, Roel (1999). Helen door delen: experimentele Psychosociale interpersoonlijke therapie. Utrecht. Tijdsstroom, 1999.
Dijkstra, P. , Barelds, D. Verhoog je relatie-IQ. Utrecht. Het Spectrum, 2007.
Heffels, A. Praten met je partner, voor liefde kun je kiezen. Utrecht. Het Spectrum, 2000.
IJff, M. ( ). Sekscounseling in de psychosociale hulpverlening. Assen. Koninklijke Van Gorcum, 2002.
IJff, M. Artikel: Zet het op de agenda. Uit: Maatwerk Vakblad voor maatschappelijk werk, april 2007
Moors, J., Moors-Mommers, M. en anderen. Helpen bij seksuele moeilijkheden, een boek voor hulpverleners. Deventer. Van Loghum Slaterus, 1977.
Scriptie Pieternel Geurts, Het geheim van gelukkige(e) paren. Breda. 2008
GezondNu Januari 2009. Onderzoek huisarts (Metro)

PIETERNEL GEURTS

Share This