Therapie? Is dat dan mogelijk voor mensen met een verstandelijke beperking?

De afgelopen jaren heb ik de opleiding Ervaringsgerichte Psychosociale Therapie aan het Kempler Instituut gevolgd. In juni sluit ik deze af. De titel boven dit artikel is de titel die ik aan mijn afstudeerscriptie heb gegeven. Het was een vraag die mij bezig hield en van waaruit de scriptie gestalte heeft gekregen.

Twijfel

Twijfel. Het onderwerp van deze afstudeerscriptie is ontstaan uit twijfel.
Ik sloeg gade hoe de opleiders aan het werk waren tijdens de live-supervisies en was verbluft over de verandering die, zonder uitzondering, in de duur van slechts een uur teweeg werd gebracht bij cliënten.
Ik bemerkte dat ik dan vaak dacht: ‘dat werkt dan wel met gewone cliënten, maar niet bij die van mij’.
‘Die van mij’ zijn mensen met een verstandelijke beperking. Een lichte weliswaar, maar toch.
Over het woord ‘therapie’ struikelde ik ook al. En ik wist dat mijn werkveld dat ook zou doen als ik dat woord in de mond zou nemen. Als psychosociaal hulpverlener verleen je immers geen therapie. Dat is voorbehouden aan andere beroepsgroepen.
“Is deze wijze van hulpverlenen wel geschikt voor mensen met een verstandelijke beperking? Dient men hiervoor niet over een bepaald IQ te beschikken?” vroeg ik aan mijn mentor, Sonja Bouwkamp. Haar antwoord was dat juist hierin de kracht ligt van de ervaringsgerichte psychosociale therapie, namelijk aansluiten bij de ervaring van de cliënt. “En ervaringen heeft iedereen”, zei Sonja, “maar onderzoek het!”
Twijfels dus: een goede reden om te vragen en te onderzoeken.

Psychosociale hulpverlening binnen de organisatie

Amarant, de organisatie waar ik als psychosociaal hulpverlener werk, verleent zorgen diensten aan zo’n 3500 mensen verspreid over Brabant, die op grond van een verstandelijke beperking hiertoe een indicatie hebben verkregen. Psychosociale hulpverlening (PSH) is een betrekkelijk nieuw zorgproduct binnen de organisatie.
Psychosociale hulp aan mensen met een verstandelijke beperking is een van de diensten die van oudsher door MEE geboden werd. Vanuit MEE kon en kan er zonder indicatie PSH worden gegeven. Sinds daar een organisatorische verandering heeft plaatsgevonden is er een limiet gesteld aan het aantal gesprekken. Dit past in de ontwikkeling van het algemeen maatschappelijk werk, waar ook gestreefd wordt naar kort(er)durende hulpverlening.
Vanuit MEE is toen aan de zorgaanbieders de vraag gesteld om psychosociale hulpverlening als dienst aan te gaan bieden. Amarant heeft deze taak op zich genomen.
De methodiek van PSH binnen Amarant is er primair op gericht de eigen kracht en mogelijkheden van de persoon te mobiliseren, te stimuleren en te ontwikkelen waardoor hij weer in staat raakt om de regie over het eigen leven te voeren.
Secundair richt PSH zich op het sociaal systeem van de betrokkene en zal ook hierin investeren, zodat er begrip en inzicht kan ontstaan in elkaars positie. Versterking van begrip geeft ontwikkelkansen voor een ieder.
De cliënten waar ik in mijn werk voornamelijk mee te maken krijg hebben een lichte verstandelijke beperking of functioneren op zwakbegaafd intelligentieniveau.
Hoewel de ondersteuning niet leeftijdsgebonden is, betreft het vooral volwassenen. Veelal wonen zij zelfstandig, al dan niet met partner en/of kinderen.
Het komt ook voor dat de vraag om psychosociale hulp een cliënt betreft die in een woonvoorziening of appartementencomplex met begeleiding vanuit Amarant woont.
Deelnemen aan een complexe samenleving betekent dat je over nog al wat vaardigheden dient te beschikken. Als deze onvoldoende ontwikkeld zijn of ontbreken wordt dit deelnemen ingewikkeld, wat tot frustraties, moeilijkheden en problemen kan leiden.
Mensen met een verstandelijke beperking behoren dan ook tot de groepen die in onze samenleving een verhoogd risico lopen om problemen op te lopen op verschillende levensgebieden.
Ook bij hen zie je, net zoals bij cliënten uit Lagere Sociaal Economische Status groeperingen, dat psychosociale problemen zich vaak omzetten in lichamelijke klachten. Deze lichamelijke klacht is dan een symptoom dat als signaal dient voor een ander, vaak psychosociaal probleem.

Autonomie en verbondenheid

In de verstandelijk gehandicaptenzorg is de aandacht de laatste decennia vooral gericht op het versterken van de autonomie van de cliënt als individu in het algemeen en de emancipatie van de doelgroep in het bijzonder, wat een groot goed is. Het was een hele weg die afgelegd moest worden, voordat mensen met een beperking beschouwd werden als ‘volwaardig burger’.
Om die positie in te kunnen nemen was het nodig en logisch dat het versterken van de eigenheid, de zelfredzaamheid en de zelfstandigheid alle aandacht heeft gekregen. Maar hoe zit het met de verbondenheid, de tweede basisbehoefte? Bij veel van mijn cliënten beperken de contacten die zij hebben zich vaak tot familie, collega’s van de sociale werkvoorziening of anderen uit de ‘eigen kring’ van mensen met een verstandelijke beperking.
De praktijk leert dat het voor deze doelgroep moeilijk is om contacten te leggen en te onderhouden. Misverstanden, onbegrip en onbeholpenheid kleuren de relaties. Met behulp van sociale vaardigheidstrainingen wordt getracht hen te leren zichzelf staande te houden of zich socialer te gedragen.

Ik zie dan ook veel armoede in de onderlinge relaties. Mijn wens is om mijn cliënten te versterken in leven in verbondenheid en hen de ervaring te geven hoe dat te doen. En dat is precies wat ik leer middels de EPT.

“Hij zegt dat ik hartstikke gek ben om toch weer contact met mijn moeder te willen”, zegt José me, met een hoofdknik in de richting van haar vriend Kees.
Ik: “Wat vind je ervan dat hij dat zegt?”
“Ik vind dat niet leuk om te horen!”
Ik: “Zeg dat maar tegen Kees”.
“Nou, ik vind het helemaal niet leuk dat je zegt dat ik gek ben om het toch weer te proberen met haar. Het blijft toch mijn moeder!”. “Je hebt dat al eerder geprobeerd!”
“Ja, nou en?!”.
Ik: “Kees, José zei net tegen je dat ze het helemaal niet leuk vindt dat je zegt dat ze gek is omdat ze contact met haar moeder wil.” “Ik bedoel eigenlijk dat ik niet wil dat ze weer overstuur raakt”. Ik: “Dan heb ik liever dat je dát tegen haar zegt”.
Kees naar haar: “Je hebt er al genoeg onder geleden!”
José is stil.
Ik: “Kees is dus bezorgd over je José. Hoe vind je dat?”.
“Daar had ik niet aan gedacht. Dat vind ik lief. Ik ben dat niet gewend, dat iemand bezorgd is over mij”.

Alle betrokkenen doen hier een nieuwe ervaring op: José leert aan haar partner te zeggen wat ze niet leuk vindt en komt zo voor zichzelf op. Daarnaast ondervindt ze dat Kees bezorgd om haar is. Dit is voor haar nog steeds een nieuwe en broodnodige ervaring, die haar gevoel van eigenwaarde voedt.
Kees leert om zijn gevoelens te onderkennen, die aan José te verwoorden en merkt hoeveel dat voor haar betekent. Ik als hulpverlener ervaar de vreugde, dat ik niet meteen de moeder van José tot gespreksonderwerp heb gemaakt, maar ingestoken heb op de interactie, waardoor er voelbaar ander contact tussen hen ontstaat. Ik geniet ervan.
Het is niet de bedoeling dat ik partij ga trekken voor de een of de ander of er nog een derde mening aan toe voeg.
Wat ik beoog is hen vaardiger te maken in het luisteren naar zichzelf en naar elkaar en dat vervolgens kenbaar te maken. Dat zal hen helpen om welk onderwerp dan ook beter met elkaar te kunnen bespreken.

Ja maar… stuit je dan niet net op de beperking van de doelgroep: het niet vaardig zijn in relationeel opzicht? Ja.
Het niet bespreekbaar maken van wat je vindt, denkt en voelt is echter niet voorbehouden aan mensen met een verstandelijke beperking. Het gros van de bevolking kampt hier mee. Bovendien zijn mijn cliënten goed in staat om aan te geven wat zij fijn of vervelend vinden en waar ze last of plezier van ondervinden. Hoe meer je hen benadert als ‘gewone’ mensen, hoe gezonder het voor hen is!

Ik: “Dus je wilt weer contact opnemen met je moeder José?” “Ja. Ze is verhuisd naar een verzorgingstehuis, heb ik van mijn broer gehoord. Straks is ze dood en dan heb ik er spijt van dat ik ze niet meer gezien heb. Maar ik ben er ook wel bang voor. Ze kan zo hard zijn!”
Ik: “Zou Kees jou hierbij kunnen helpen José?”
José aarzelt, Kees reageert met:
“Ik kan wel met jou mee gaan naar je moeder hoor. Als je dat wilt tenminste?!”
“Zou je dat willen doen? Oh, dat zou fijn zijn. Maar wat moet ik tegen haar zeggen, ik heb haar zo lang al niet gezien.”

Dat gaan we met z’n drieën oefenen.

Kees voelt zich niet meer machteloos, maar sterk doordat hij van betekenis kan zijn voor José.
José voelt zich gesteund door hem en sterker ten aanzien van haar moeder.

Afstemming op de cliënt

Als hulpverlener tracht je zoveel mogelijk aan te sluiten bij de alledaagse leefwereld van de cliënten. Wat mensen met een verstandelijke beperking betreft betekent dit dat je geen ingewikkelde taal, oefeningen of technieken gebruikt en dat je zoveel mogelijk de termen die de cliënt bezigt overneemt. Het betekent dat je concreet en praktisch bent, gericht op het aanleren van meer adequate gedragingen en persoonlijke vaardigheden, dat je uitlegt, voordoet, herhaalt en blijft herhalen tot het beklijft.
Bovendien besteed je aandacht aan hoe er waargenomen en gedacht wordt, alsook aan het gewaar en bewust worden van gevoelens en behoeften.
Indien nodig zet ik de kernboodschap voor de cliënt op papier en ondersteun dat met pictogrammen.

De richtlijnen vanuit de EPT om het onduidelijke duidelijk te maken zijn helpend voor mij:

  • Maak het algemene specifiek en vraag door tot je een concreet punt hebt.
  • Maak het abstracte concreet en vraag om een concreet en relevant voorbeeld.
  • Maak het vage duidelijk en vraag om verheldering.
  • Concretiseer; ga door met vragen totdat je precies weet waar de cliënt een probleem mee heeft.

Persoonlijk

Lang ben ik het type hulpverlener geweest dat niet naar buiten komt met hetgeen hij vindt. Dat is naar mijn idee ook niet altijd nodig of gewenst. Echter, op de momenten dat ik bemerkte dat ik het wel zou willen, maar dat iets me weerhield, kwam ik met mezelf in de knel. Ik werd voorzichtig, oftewel bang voor de gevolgen die het zou kunnen hebben als ik zei wat ik eigenlijk zou willen zeggen. Dus verbeet ik me en was ik empatisch, braaf en weinig effectief. Mijn doelgroep vraagt namelijk om duidelijk, helder en soms ferm taalgebruik en handelen.

‘Niet indirect en voorzichtig worden, maar direct en zorgvuldig zijn’ , leerde ik van de Bouwkampen. En oh, wat bevalt me dat!
Ik citeer hen want beter kan het niet uitgedrukt worden: “Zorgvuldigheid is wezenlijk iets anders dan voorzichtigheid. Voorzichtigheid zorgt ervoor dat je jezelf terugtrekt en jezelf opoffert ten behoeve van de ander en het contact. Met zorgvuldigheid kunnen we in contact blijven en daarbij zowel zorgzaam met onze eigen behoefte omgaan als met die van de ander”.

Is het mogelijk?

Als antwoord op mijn vraag of therapie mogelijk is voor mensen met een licht verstandelijke beperking kan ik het volgende concluderen: het onderscheid tussen hulpverlening en therapie is niet eenduidig te geven.
Als hulpverlener tracht je de zelfredzaamheid van cliënten te vergroten, hun eigen denkproces en zelfoplossend vermogen op gang te brengen en hen vaardigheden bij te brengen waar die ontbreken. Je sluit aan bij de mogelijkheden van cliënten en de aard van het probleem en gebruikt uit diverse methodieken wat bij deze specifieke cliënt en diens situatie past. De EPT past in zo’n eclectische werkwijze en daar waar dat geëigend is, zal ook therapeutisch gewerkt worden.

Geen enkele hulpverlening heeft niet ten doel om therapeutisch = helpend te zijn.
Het lijkt alsof het verschil tussen hulpverlening en therapie niet zozeer in het doel van de hulpverlening ligt, maar meer in het opleidingstraject van de hulpverlener. Wanneer je universitair geschoold bent noemen we therapeutisch zijn therapie en wanneer je hbo of mbo bent opgeleid noemen we therapeutisch zijn hulpverlening.

Mijns inziens is de ervaringsgerichte psychosociale therapie goed toepasbaar in de psychosociale hulpverlening aan mensen met een licht verstandelijke beperking, omdat deze methodiek:

  • persoonlijk is, gewoon, praktisch en probleemoplossend, wat goed aansluit bij de behoefte van de doelgroep.
  • zich zowel richt op de individuele cliënt als op het systeem waarvan hij deel uitmaakt.
  • gericht is op het ontwikkelen van meer zelfstandigheid van de cliënt als individu en tevens op zijn verbondenheid met voor hem belangrijke anderen.
  • gericht is op het opdoen van nieuwe, positieve ervaringen en gelijktijdig op het aanleren van meer adequaat gedrag. – aansluit bij de behoefte van de doelgroep door de directe, sturende en doelgerichte werkwijze enerzijds en de invoelende ondersteunende houding anderzijds.
  • de hulpverlener leert om zowel zorg te dragen voor zichzelf als voor de cliënt.

Dit laatste is zeer belangrijk, met name in dit werkveld vind ik. Vanuit betrokkenheid, maar ook vanuit bezorgdheid kun je als hulpverlener te veel verantwoordelijkheid op je nemen. Door het belang dat de EPT hecht aan evenwichtig zorgen voor de ander en voor jezelf als hulpverlener, leer ik om uit mijn valkuil te blijven en de verantwoordelijkheid meer bij de ander te laten.

Dat is precies wat de LVG doelgroep wenst: niet betutteld worden. Dit geeft niet alleen hen ruimte, maar ook mij. Het betekent zeker niet dat ik me minder bij hen betrokken voel. Tot slot is het zo dat mensen met een licht verstandelijke beperking, doordat ze vaak aangewezen zijn op ondersteuning in het dagelijks leven, te maken hebben met een of meerdere hulpverleners. Door de gerichtheid op de interactie en de positie die een ieder inneemt, kan de EPT bijdragen aan een goede afstemming tussen alle betrokkenen. Duidelijkheid en overzicht is voor alle mensen met een verstandelijke beperking van groot belang, maar het is essentieel voor het slagen van een hulpverlening wanneer het bij deze cliënten om een multiprobleemsituatie gaat.

MARJA SOMERS

Share This