Systeemgericht werken is interactiegericht kijken

Negen stelregels voor systeemgericht werken

Door: Ferdinand Bijzet

Voor veel hulpverleners is systeemgericht werken, het werken met relaties, gezinnen en netwerken iets dat ze moeilijk vinden. Iets dat ze liever vermijden omdat ze dan niet meer zo goed weten wat ze moeten doen. In dit artikel wil ik negen stelregels voor systeemgericht werken beschrijven die wij in onze opleidingen en nascholingen aan studenten aanleren. 

Waarom systeemgericht werken?

Om deze vraag te beantwoorden moeten we eerst een andere vraag beantwoorden: Waarom zoeken mensen hulp? Een veel gegeven antwoord luidt als volgt: “Omdat ze tegen problemen aanlopen die ze niet kunnen oplossen en waarvan ze hopen dat een professional hen verder kan helpen.” De cliënt heeft een probleem en de professional heeft expertise. Zo is bij de meeste mensen de gedachte. Ook bij veel hulpverleners. Zeker bij hulpverleners die gewend zijn individueel te werken.

Een systeemgerichte hulpverlener heeft echter een andere manier van kijken en denken. Waarom zoeken mensen hulp? Omdat, volgens Kempler, in het systeem van deze mensen de ingrediënten missen om de noodzakelijke stap verder te komen. En wanneer het gezin niet meer de hulp, ondersteuning en zorg kan bieden die nodig is, zoeken mensen over het algemeen hulp bij een professional. Maar, zo zegt de systeemgerichte hulpverlener, dan is het niet onze taak om op te vullen wat het systeem niet kan. Nee, het is onze taak het systeem te helpen elkaar weer verder te helpen. Of zoals collega Peter Visser het mooi verwoordde: “Wij helpen gezinnen elkaar weer te helpen”.

  1. Bouwkamp en Bouwkamp (2013) beschrijven deze andere gerichtheid in hun boek “Dicht bij huis”. Zij maken onderscheid tussen het eerste, het tweede en het derde probleem. Het eerste probleem is de aanmeldklacht en in de meeste gevallen dus het symptoom, waarmee iemand zich aanmeldt. Bijvoorbeeld een moeder die haar kind aanmeldt dat zich thuis zo agressief gedraagt. Op het moment dat deze moeder dit kind aanmeldt heeft zij, gevoed door de heersende gedachten over hulp, het idee dat de professional dit kind zal “repareren”. Zij weet niet meer wat ze moet doen, voelt zich machteloos en levert het kind af bij de hulpverlener. Op dat moment draagt ze haar verantwoordelijkheid als ouder over aan de hulpverlener. En elke hulpverlener kent het gevoel dat dit appel op hem doet. Als je niet oppast voel je je direct plaatsvervangend verantwoordelijk voor zowel de machteloosheid van de moeder als voor het welzijn van het kind.

Bouwkamp en Bouwkamp onderscheiden daarnaast een tweede probleem. Meestal wordt dit  probleem niet genoemd door de ouders, laat staan dat er hulp voor gevraagd wordt. Maar het is een probleem dat er per definitie is. Dat is het feit dat de ouders in dit geval niet meer weten hoe ze hun kind kunnen helpen. Bij elke individuele vraag is er dus per definitie een omgeving die ook een probleem heeft. Zij weet geen adequate hulp en ondersteuning meer te bieden. Er is naast het symptoom van het individu ook een machteloze omgeving. En de systeemgerichte hulpverlener moet hier oog voor hebben. Want wat is effectiever? Zelf de symptoomdrager verder helpen of een gezin de vaardigheden leren om elkaar verder te helpen?

Naast dit tweede probleem kan nog een derde probleem onderscheiden worden. En dat is het probleem op interactieniveau. Hoe gaat dit gezin om met het symptoomgedrag. Enerzijds weten ze niet meer wat ze moeten doen (tweede probleem), maar ondertussen gaan ze wel op een bepaalde manier met elkaar en het symptoomgedrag(eerste probleem) om. En in de meeste gevallen is dat een niet helpende of zelfs destructieve manier.

Een persoonlijk voorbeeld. Al weer heel wat jaren geleden worstelde mijn partner erg met negatieve gedachten over zichzelf. Daar had ze last van, want ze durfde zich sociaal niet echt te laten zien. Ze durfde ook haar emoties niet goed te delen uit angst een zeur te zijn. Het eerste probleem. Ik probeerde, zoals een goed partner betaamt, haar te helpen om positiever over zichzelf te gaan denken. Maar hoe hard ik mijn best ook deed, zij ging niet positiever over zichzelf denken. En dat gaf mij een machteloos gevoel. Het tweede probleem. De manier waarop wij met dit probleem omgingen werd een patroon. Zij deelde haar negatieve en minderwaardige gevoelens, ik probeerde haar op te beuren door haar te vertellen hoe knap en leuk ze was. Zij vond dat wel lief, maar kon er niet veel mee en veranderde niet. Ik raakte machteloos en gefrustreerd en uitte mijn frustratie door haar te vertellen dat ze gewoon eens moest geloven dat ze leuk was. Maar de toon werd ongeduldig en afkeurend. Zij voelde zich nog minder de moeite waard. Het derde probleem. Uiteindelijk zocht zij, op aandringen van mij (ik kende Kempler nog niet) hulp.

Wanneer je dit voorbeeld als casus voor jezelf zou nemen, waar zou je dan mee beginnen? Het appel van de cliënt, mijn partner in dit geval, is “help mij positiever over mezelf te denken”. Individueel gerichte hulpverleners zullen dan ook in veel gevallen gaan onderzoeken waarom ze negatief over zichzelf denkt en zullen aan de slag gaan met die gedachten en die gevoelens. En daarmee dus focussen op het eerste probleem. Maar op dat moment gaan ze wel voorbij aan een veel fundamenteler probleem, namelijk dat deze cliënt en haar partner een interactiepatroon hebben ontwikkeld dat het probleem mede in stand houdt!  Het  systeem weet eigenlijk geen raad meer, maar heeft wel van alles geprobeerd en is dat nog steeds aan het doen. Individueel werken met op de achtergrond een voortgaand dysfunctioneel patroon is niet erg effectief. Zeker niet omdat de invloed van het systeem er dagelijks is en de hulpverlener in de meeste gevallen maar een uurtje per twee weken.

Dat is voor ons, als systeemgericht hulpverleners, de belangrijkste reden waarom wij bij welk probleem dan ook de partner en/of het gezin nodig hebben. Gezinsleden willen elkaar altijd helpen. Dat is een natuurwet. Als iemand in het gezin een probleem heeft dan willen de anderen helpen. Probleem is dat ze niet altijd weten hoe ze dat op een goede, effectieve manier kunnen doen. Dus doen ze het op de manker die ze wel voor handen hebben. Het is onze visie dat je problemen dus beter in hun context kunt behandelen, omdat je dan aansluit bij deze natuurwet.

Verder kijken dan symptomen

Wanneer nu een hulpverlener besluit om meer systeemgericht te gaan werken, dan nodigt hij dus het systeem uit. Maar wat doet hij dan? Want werken met systemen vraagt een andere manier van kijken, denken en interveniëren. Ook wanneer het gezin in de gesprekskamer aanwezig is, zal in veel gevallen bij de niet geoefende, maar nu wel  systeemgerichte hulpverlener de aandacht naar het symptoom uitgaan. Dat is begrijpelijk want het gezin praat over de problemen van de symptoomdrager:

“Erik is zo depressief.”
“Anneke zo agressief.”
“Kees luistert nooit en is ontzettend druk.”
“Ineke heeft faalangst en komt tot niets.”

Het appel is duidelijk. “Kunt u Ineke van haar faalangst afhelpen?” Een appel waar de meeste hulverleners gevoelig voor zijn. Ze willen namelijk heel graag helpen! Met als gevolg dat ze, met het gezin in de kamer, toch gaan praten over het eerste probleem en helaas vaak ook blijven praten over het eerste probleem. De hulpverlener gaat hard aan het werk op zoek naar oplossingen, tools, tips. En is daarmee in veel gevallen één van de machtelozen in het systeem geworden. Blind staren op het eerste probleem, noem ik dat.

Wil een hulpverlener effectief met het systeem werken dan zal hij zich dus moeten bevrijden van de claim die hij voelt en de verantwoordelijkheid die hij op zich neemt om tot een oplossing te komen. De aandacht moet van het eerste probleem in ieder geval naar het tweede probleem (het probleem van de omgeving),maar het liefst zo snel mogelijk naar het derde probleem (op welke niet werkende manier gaat dit gezin met dit probleem om?).

De hulpverlener moet dus vanuit de inhoud waarin het gezin ook al lang verdronken is, naar het niveau van de interacties. Hoe gaat dit gezin met elkaar om? Op welke manier draagt dat bij aan het versterken van het probleem en op welke manier zou het bij kunnen dragen aan het verminderen van het probleem?

Een voorbeeld: Tijdens een supervisie deelt een student zijn diepe onzekerheid en angst voor afkeuring. Op slechte momenten heeft hij de neiging zich niets waard te vinden en trekt hij zich terug in gamen. Op zulke dagen komt er niets uit zijn vingers. Verder houdt hij in alles rekening met de wensen van zijn partner, maar ook van de opleidingsgroep. Hij probeert zijn vrouw en de groep ten allen tijde  tevreden te houden. Hij vraagt hulp om dit angstprobleem het hoofd te bieden. Een hulpverlener die zich nu gaat focussen op deze student en zijn  angst loopt het risico mee te gaan in de inhoud en zelf machteloos te worden. Of te vervallen in oppervlakkige adviezen en tips.

Een systeemgericht hulpverlener wil echter vooral zien wat er in het systeem niet goed gaat. Wat maakt dat dit probleem thuis niet kan worden opgelost?  De snelste manier om dat te ontdekken is door de partner bij het gesprek te betrekken. En wanneer zij dan over het probleem praten let de hulpverlener in eerste instantie niet op de inhoud, maar met name op de manier waarop zij praten. Want dat geeft informatie over de niet werkende patronen. Patronen die, als ze omgebogen worden, helende patronen kunnen worden. De vrouw, die gelukkig ook aanwezig was en waarvan we op voorhand al weten dat ze ook niet meer weet hoe ze hem kan helpen want anders had hij ons niet om hulp gevraagd, wordt dus uitgenodigd bij het gesprek

Hij: “Ik heb zo vaak het gevoel dat ik niets voorstel en dat iedereen me raar vindt”
Zij: “Ik zeg zo vaak tegen je dat je fantastisch bent. Mensen vinden je helemaal niet raar.”
Hij: “Ja, ik weet het…. en ik vind het ook stom dat ik het zo voel.”
Zij: (kijkt hulpvragend naar de hulpverlener) “Ik zeg dit zo vaak tegen hem, maar het helpt niets. Soms denk ik wel eens dat hij op moet houden met dit gezeur…dat hij gewoon een schop onder zijn kont nodig heeft.
Hij: “Ja, ik wil ook van deze onzingedachtes af.”

Zij : “ Nou, hou er dan eens een keer mee op!”

In dit korte verbatim zit de kern van het derde probleem besloten. De niet werkende interacties tussen hen. Daarin zitten de volgende elementen:

  1. Zijn niet accepteren van zijn angst en daarvan af willen.
  2. Haar discussiëren met zijn angst door complimenten te geven die hij niet kan accepteren.
  3. Haar veroordelen van zijn angst.
  4. Haar moederrol t.a.v. zijn symptoomgedrag.

Deze patronen helpen hen niet verder, dus vragen zij om aandacht. In dit geval vervolgde de sessie als volgt:

Ik: “Het lijkt alsof jij bang bent dat als jij kwetsbaar wordt niemand je nog ziet zitten.”
Hij: “Ja… ook nu. Ik ben doodsbang dat jullie me raar en stom vinden.” ( barst in tranen uit).
Zij: “Maar dat is niet nodig, want je bent fantastisch.”
Ik (tegen hulpverlener): “Wat vind je van deze reactie?”
Hulpverlener: “Ik vind dat lief en waar.”
Ik: “Maar welk patroon zie je?”
Hulpverlener: “Hij is bang en zij zegt dat dat niet hoeft.”
Ik: “En wat vind je daarvan?”
Hulpverlener: “Begrijpelijk.”
Ik: “Maar wat ontbreekt er dan aan? Want het is duidelijk een niet helpend patroon. Hij is negatief, zij beurt hem op, maar het helpt niet. En op andere momenten geeft ze hem een verbale trap onder zijn kont en dat helpt ook al niet.” Dus wat ontbreekt er dan?
Hulpverlener: “Dat ze persoonlijk wordt?”
Ik: “Ja.”
Ik richt me tot haar en vertel haar dat ik zie dat ze hem heel graag wil helpen, maar dat ik mis dat zij hem vertelt wat zijn angst persoonlijk met haar doet.
Zij (richt zich oprecht tot hem): “Ik vind het verschrikkelijk verdrietig en heel pijnlijk ook  dat je dit zo voelt…..en ik begrijp ook wel waar het vandaan komt…..” (ze legt een hand op zijn arm.)
Hij (begint heel hard te huilen en kruipt tegen haar aan): “Wat lief dat je dat zegt.”
Na een poosje huilen wordt hij rustig. Hij vertelt haar hoe belangrijk het voor hem is dat zij zijn gevoel niet afkeurt. Hij is al zo bang voor afkeuring en vindt het zelf ook al zo vervelend en stom van zichzelf.  Ik vraag hem hoe het nu met zijn angst is en hij zegt dat haar begrip zonder het te relativeren hem helpt om liefdevoller met zijn angst om te gaan. Ik vraag hem nogmaals hoe het met zijn angst is. Hij kijkt de kring rond en geeft aan dat die op dat moment weg is.

In deze supervisie werd de nadruk gelegd op de niet werkende interactie. Daardoor verdween  het appel om hem van zijn angst af te helpen naar de achtergrond en konden we haar helpen anders met zijn angst om te gaan, waardoor er meer verbinding ontstond. Het paradoxale was dat de angst daardoor ook minder werd. En dat is passend bij onze theorie over de niet-toegestane delen. Wij zijn geneigd onze niet toegestane delen te onderdrukken. En de niet werkende interactiepatronen in gezinnen werken daar onbedoeld vaak aan mee. Hij mag van zichzelf niet klein en minderwaardig zijn en zij houdt hem daarbij met haar complimenten weg, of duwt hem door haar oordeel dieper in zijn eigen oordeel daarover, waardoor het onderdrukkende deel in hem zelf sterker wordt.

Systeemgericht werken: negen stelregels

Hulpverleners die meer systeemgericht willen gaan werken moeten zichzelf dus trainen in een andere manier van kijken en interveniëren. Daarvoor zijn er drie sporen te gaan:

  1. Zien en bevestigen van wat goed gaat. Daar mag meer van gebeuren.
  2. Zien en doorbreken van negatieve interactiepatronen.
  3. Aanbrengen van datgene wat er in het gezin ontbreekt.

In dit artikel focus ik mij met name op het zien en herkennen van negatieve interactiepatronen. Dat is namelijk voor mij de basis van systeemgericht werken. Wanneer de hupverlener de stap van de inhoud naar deze patronen kan maken is de belangrijkste stap gezet. En dat vraagt veel oefenen.

Om daarbij richting te geven geef ik hier een aantal stelregels.

Stelregel 1. Bij welk probleem dan ook moet de hulpverlener er een gewoonte van maken de partner en/of het gezin te betrekken. Bij problemen van cliënten die een partner hebben dient deze altijd betrokken te worden. Bij problemen met kinderen dienen altijd de ouders en liefst  het hele gezin betrokken te worden.

Stelregel 2.Om uit het appel van het gezin (“repareer dit gezinslid”) te komen moet de hupverlener hen vanaf  het begin uitnodigen het probleem dat ze zelf hebben met het gedrag van de partner of het gezinslid te bespreken.

De openingszin van Els “Jan is zo depressief” kan door de hulpverlener worden omgebogen met de zin “Bespreek de moeite die je daarmee hebt nu met Jan.”

Wanneer Els nu met Jan in gesprek gaat over haar eigen zorg hoeft de hulpverlener alleen maar te letten op de manier waarop Els en Jan dit gesprek voeren. Is dit een goede ontmoeting waarbij Els deelt wat haar dwars zit en Jan daar persoonlijk op reageert? Of is het een niet werkend patroon van interacties waaruit duidelijk wordt wat er in ieder geval niet werkt in dit systeem.

Stelregel 3.Wanneer het echtpaar of het gezin constructief met elkaar praat hoeft de hulpverlener niets te doen. Vaak zie ik in supervisies studenten zich toch actief met de inhoud bemoeien. Ze stellen vragen of vragen door. Maar dat moeten de cliënten nu juist met elkaar doen. Dit doorvragen op de inhoud is een signaal dat de hulpverlener nog te veel met het eerste probleem bezig is. En te weinig aandacht heeft voor de interacties.

Een prachtig voorbeeld hiervan kwam ik tegen in een video waarin Walter Kempler werkt met een hulpverlener. Zij vertelt hem daar hoe zij werkt met een echtpaar waarvan de vrouw zich veel te verantwoordelijk opstelt naar haar volwassen kinderen. De hulpverlener had de man uitgedaagd zijn positie kenbaar te maken naar zijn vrouw. Hij had gezegd dat hij vond dat ze de kinderen hun eigen zaken moest laten regelen. Dat konden ze prima. Haar antwoord was dat dat echt niet goed zou komen, waarop de man was afgehaakt. Kempler vroeg haar :” En wat denk je dat hij dacht?”  Zij antwoordde: “Nonsens.”  Hierop vroeg Kempler: “ En wat deed jij toen?” Zij antwoordde: “Ik heb haar verteld dat ik dacht dat dat nonsens was…..” , waarop Kempler antwoordde : “Dan kun jij beter zelf met haar trouwen…”
De kern van dit verhaal? Laat het gezin in gesprek met elkaar en bemoei je zo min mogelijk met de inhoud. Help hen met name hun posities in te nemen en open en eerlijk te worden. Dat is je taak!

Stelregel 4.Wanneer de hulpverlener dysfunctionele interacties bespeurt maakt hij dit bespreekbaar. De snelste route is via degene die een reactie krijgt die niet helpend is.
Els: “Ik vind je zo somber de laatste tijd.”
Jan: “Alsof jij altijd zo vrolijk bent.”
Hulpverlener: “Els, is dit een reactie op jouw punt?”

Stelregel 5. De eerste in een gezin die een moeite op tafel legt, heeft als eerste recht om gehoord te worden.
Els: “Ik heb het gevoel dat jij niet meer om me geeft.”
Jan: “Vind je het gek als je altijd zo negatief naar me doet.”
Beiden hebben hier een punt van kritiek en pijn. Maar Els legt als eerste haar zorg op tafel. Wanneer de hulpverlener beide punten op tafel laat liggen blijft het destructieve patroon bestaan. Zo praten ze thuis ook en zo komen ze blijkbaar niet verder. Wat niet werkt, moet meteen gestopt worden. En wie iets constructiefs op tafel legt, heeft recht om gehoord te worden. Wanneer dit niet gebeurt moeten we niet verder gaan, maar er eerst voor zorgen dat de boodschap ontvangen wordt.

Stelregel 6.Maak zo snel mogelijk herhalende patronen duidelijk en neem persoonlijk positie in ten aanzien van deze patronen.
“Els en Jan. Ik zie dat jullie beiden pijn hebben in de relatie. En elke keer dat de een iets aangeeft legt de ander ook zijn of haar pijn op tafel. Daarmee lijkt het alsof jullie beiden vechten om het eerst gezien te worden, maar blijven jullie beiden ongezien. Dat vind ik pijnlijk om mee te maken.”

Stelregel 7.Luister tussen de regels door en verwoord wat degene zelf niet in woorden weet te vatten.
Els: “Ik ben bang dat je bij me weg gaat.”
Jan: “Wat een onzin, ik ga niet weg.”
Els: Slikt en kijkt verdrietig weg
Hulpverlener: “Nu word ik nog banger Jan, omdat ik irritatie in je stem hoor… Je vindt me vast erg vervelend”

Stelregel 8.Sta er op dat interacties (ontmoetingen) afgemaakt worden door te onderzoeken waar de blokkades zitten.

Vaak komen mensen in de verdediging terecht of voelen ze zich aangevallen. Wanneer ze in een vechten/vluchten-reactie terecht komen is het zaak te begrijpen wat dit veroorzaakt en de onderliggende angst naar boven te halen. Wanneer die helder is kan die daarna in de interactie gebracht worden. Een vader die alleen maar in de verdediging zit moet gestopt worden. Dan dient de hulpverlener eerst te onderzoeken wat er onder de verdediging zit. Pas als dat helder is kan het gesprek onderling voortgezet worden: “Ik heb nu de neiging om  me te verdedigen, omdat ik alleen maar verwijten hoor en ik me dan zo ontzettend te kort geschoten voel. Ik kan dat niet verdragen.”  Let er op dat je niet te lang zelf in gesprek gaat met één gezinslid, breng het gesprek weer terug in het gezin zodra dat kan. Alleen wanneer de onderlinge reacties voortdurend stuklopen op vecht/vluchtreacties moet je veelvuldig actief ingrijpen, of je eigen probleem met hun gedrag op tafel leggen en vertellen dat je echt ander gedrag van hen nodig hebt om constructief met hen verder te kunnen werken.

Stelregel 9.Vaak ligt de sleutel tot verandering in eerste instantie niet bij de probleemdrager maar bij de partner of het gezin. Hun manier van omgaan met elkaar en het probleem is een belangrijke sleutel tot verandering:

Erik maakt geen keuzes. Hij zit werkeloos en depressief thuis, voert niets uit en kijkt alleen maar TV. Ellen vindt hier van alles van, moppert er ook over, maar zet zelf ook geen stappen. Ze blijft zich bezighouden met Erik en vindt hem ook zielig. Maar diep in haar hart is ze het ook zat. Toch blijft zij koken, de was doen en de kinderen naar bed brengen, want Erik doet het niet. Hij kiest niet, zij ook niet.

Wie moet er hier veranderen? Wie heeft de grootste motivatie om te veranderen? Toen Ellen de keuze maakte om op haar werkdagen niet meer te koken stond er om zes uur niets op tafel. Ellen nam haar kinderen mee naar de patatboer. Erik zat thuis brood te eten. De kinderen en Ellen vonden het eigenlijk heerlijk! Toen Ellen Eric ’s avonds vertelde dat wanneer hij zich persé als een kostganger wilde blijven gedragen hij dan óf moest betalen óf een ander kosthuis zoeken drong voor het eerst de ernst van de situatie tot Eric door. Nu Els niet langer meewerkte aan zijn destructieve patroon moest hij zelf ook wel veranderen.

Systeemgericht werken met netwerken

Ik wil dit artikel afronden door de toepassingen breder te trekken dan alleen maar werken met gezinnen of relaties. Een beweging die tegenwoordig namelijk veel aandacht krijgt is die van de eigenkracht conferenties. Daarnaast is er de strategie van de sociale-netwerkondersteuning. Het brede netwerk wordt om tafel geroepen en gaat met elkaar in gesprek over mogelijke oplossingen. Hulpverleners krijgen een adviserende of psycho-educatieve rol. Zodra het netwerk praat verlaten zij de ruimte.

Hoezeer ik deze beweging ook toejuich, want de kracht van een systeem activeren is de kern van mijn vak, ik ben niet blij met de positie van de hulpverlener. Deze wordt van hulpverlener gedegradeerd tot facilitator van het proces. Hij is daarbij wel degene die het overleg organiseert, maar hij is niet betrokken bij het gesprek. Volgens mij zijn vanuit de bovengenoemde principes voor het begeleiden van interacties in gezinnen, belangrijke lessen te trekken voor netwerkoverleggen en eigenkracht conferenties.

Een bekend gegeven is namelijk dat in gezinnen en netwerken waar problemen en hardnekkige destructieve patronen spelen, mensen op den duur afhaken. Vaak begint men enthousiast, maar loopt men in de loop van de tijd  tegen dezelfde problemen aan. Bekend is dat veel mantelzorgers uiteindelijk zichzelf leeggeven in het helpen van belangrijke anderen uit hun netwerk. Waarom? Doordat er ook in netwerken destructieve interactiepatronen ontstaan. En juist daar zou de welzijnswerker naar  mijn mening een belangrijke rol kunnen spelen. Niet alleen als facilitator, maar vooral ook als proces- en interactiebegeleider. Daar gelden dezelfde stelregels:

  1. Begin nooit met een breed netwerk als je het gezin nog niet gesproken hebt. Eerst het gezin, daarna pas het netwerk.
  2. Als je dan toch met het netwerk gaat werken, laat dan het netwerk met elkaar in gesprek gaan over het probleem.
  3. Zolang het netwerk constructief praat, zwijgt de hulpverlener.
  4. De hulpverlener bemoeit zich minder met de inhoud (behalve als zijn expertise nodig is) en focust zich vooral op de onderlinge interacties. Is wat men hier bespreekt helpend en constructief of wordt het pamperen en destructief?
  5. Wanneer de hulpverlener destructieve patronen signaleert maakt hij deze bespreekbaar en helpt hij het netwerk in het vinden van een meer constructief patroon

Een belangrijk destructief patroon in sociale netwerken is over het algemeen de afhankelijkheid die de “probleemdrager” uitstraalt, en de zorgende of pamperende houding van het netwerk. Hij kan het niet, wij zullen je helpen. Eigen kracht gaat daarmee totaal verloren.

  1. De hulpverlener is er misschien nog wel meer voor het netwerk, dan voor de probleemdrager. Hoe stellen zij zich op ten aanzien van de probleemdrager? Meestal zijn er twee uitersten. Of te betrokken óf te afstandelijk.
  2. De hulpverlener dient deze observaties bespreekbaar te maken. Of via de probleemdrager of door een persoonlijke positie in te nemen.
  3. Vaak ligt de sleutel tot groei in eerste instantie bij een veranderde positie van het netwerk.
  4. Evaluatiebijeenkomsten zijn vooral bedoeld om niet werkende interactiepatronen op te sporen en bespreekbaar te maken. Dat is de expertise van de hulpverlener. En het is in veel netwerken hard nodig daar aandacht voor te hebben.

 

Herken je je hierin? Kom dan eens naar een van onze Experience Days. Tijdens deze dagen laten we je zien hoe wij opleiden, hoe we omgaan met symptomen en wat onze visie op inspirerend hulpverlenerschap is. Middels live sessies, inspirerende colleges en videoanalyses brengen we de theorie heel dichtbij.  Deze dag is geheel gratis en je krijgt er SKJ en Registerpleinpunten voor. Wel vragen we een bijdrage voor de lunch. 

 

 

Share This