Systeemgericht werken bij geweld in relaties

Auteur: Ferdinand Bijzet

Over het behandelen van geweld in relaties zijn boeken vol geschreven. Ik wil mij in dit artikel beperken tot een behandelvisie gebaseerd op de Ervaringsgerichte Psychosociale Therapie en Gestaltgezinstherapie die in de jaren ’70 van de vorige eeuw ontwikkeld is door Walter Kempler en in de afgelopen 35 jaar door het Kempler Instituut uitgebreid beschreven en toegespitst is op de psychosociale hulpverlening.[1]Voor de leesbaarheid zal ik in het vervolg spreken over de Gestaltgezinstherapie. Ik richt mij in dit artikel op één van de pijlers van deze methode, namelijk de systeemgerichte aanpak in het hier-en-nu. Voor de leesbaarheid ben ik ervan uitgegaan dat er sprake is van agressie bij de man. Het kan ook andersom plaatsvinden.

Het houdt niet op…

 “Het houdt niet op, niet vanzelf…” Waarschijnlijk ken je het spotje van postbus 51 wel.  Een buurvrouw die bezorgd bij de trap luistert naar het hevige geruzie vanuit het appartement boven haar. Schreeuwen, schelden, slaan. En zij pakt de telefoon…

De aanpak van huiselijk geweld heeft zich de afgelopen jaren ontwikkeld van een individueel gerichte manier van werken naar een meer systeemgerichte aanpak. “Daar waar voorheen alleen werd gefocust op de vrouw in de opvang, is er steeds meer aandacht voor haar netwerk en de (ex-) partner in het bijzonder.” [2]“Een rigide onderscheid tussen slachtoffer en pleger maakt steeds meer plaats voor een systeemvisie. Kenmerkend voor deze visie is dat de relatiedynamiek centraal staat.” [3]

De Gestaltgezinstherapie bekijkt alle problemen principieel systemisch. Problemen bestaan nooit alleen. Ze komen altijd voor in een systeem van mensen, die óf het probleem veroorzaken, óf een aandeel in het in stand houden en dus ook in het oplossen van het probleem hebben. Wanneer één lid van een systeem hulp zoekt, weet de Gestaltgezinstherapeut dat er drie problemen zijn:

  1. Het probleem van de aangemelde cliënt (de symptoomdrager). Bijvoorbeeld de gewelddadige man, of de mishandelde vrouw.
  2. Het probleem van de omgeving die niet weet hoe ze de symptoomdrager kan helpen.
  3. Het probleem van de interactie tussen de symptoomdrager en de omgeving die veelal het aangemelde probleem versterkt. Hoe gaan de gewelddadige man en zijn bange partner met elkaar om waardoor dit patroon blijft bestaan en niet opgelost wordt?

Hulpverleners die deze drie problemen niet in het oog hebben, lopen het risico vast te lopen in de begeleiding van het eerste probleem. Ze krijgen een eenzijdig beeld van het probleem en hebben geen zicht op de factoren die dit probleem beïnvloeden.

Hoewel alle drie probleemgebieden belangrijk zijn, richt de Gestaltgezinstherapeut zich met name op het derde probleem: het in kaart brengen en doorbreken van negatieve interactiepatronen.

Wanneer er sprake is van geweld in relaties, zijn het vaak de slachtoffers van dit geweld die hulp zoeken. “Mijn partner is gewelddadig” en daarmee wordt de partner in veel gevallen de dader. En zo wordt er ook over gesproken. Deze visie van slachtoffer en dader gaat echter voorbij aan de drie problemen die de Gestaltgezinstherapie onderscheidt. Het gewelddadige gedrag is daarbij een signaal (symptoom) dat er in deze relatie nog twee andere problemen spelen.

De Gestaltgezinstherapie gaat er van uit dat symptomen zelden het werkelijke probleem zijn. Een gewelddadige man is gewelddadig omdat hij machteloos, gekwetst, afgewezen of onzeker is. Geweld dient dus gezien te worden als het signaal van een pijnplek die getriggerd wordt in de relatie.

Sue Johnson[4]zegt in haar aanpak van relatieproblemen dat er in relaties geen daders en slachtoffers zijn. Zij beschrijft de interactiepatronen tussen de echtgenoten en begint consequent met haar stelling dat niet de ander, maar het patroon zelf de vijand is. En in dat patroon heeft ieder zijn eigen aandeel. Juist bij geweld is het helpend om in termen van interacties  te denken waarbij ieder een aandeel  en verantwoordelijkheid heeft.

Het is daarom van groot belang dat bij hulpverlening bij geweld en agressie beide partners zo snel mogelijk betrokken worden. Dat is in veel gevallen best lastig, omdat de vrouw meestal bang is voor het geweld. Individueel werken met de vrouw heeft echter als groot risico dat de hulpverlener terecht komt in een complementair (niet helpend) patroon van reageren op de cliënt. Een vrouw die mishandeld wordt heeft vaak te weinig autonomie en zelfrespect ontwikkeld. Daardoor stelt ze moeilijk grenzen en weet ze vaak niet wat ze nodig heeft. Ze zal zich in een hulpverleningstraject waarschijnlijk hulpbehoevend opstellen. Aangezien veel hulpverleners zorgend ingesteld zijn, ligt de valkuil op de loer dat de hulpverlener in een beschermende rol terecht komt, in plaats van de autonomie van de vrouw aan te spreken.

Het is dan ook erg belangrijk dat deze vrouwen bij hun kracht gebracht worden door hen aan te spreken op hun aandeel in het ontstane geweld. Ze moeten leren minder slachtoffer te zijn en meer verantwoordelijk te worden voor wat ze zelf willen met en in hun relaties en met hun leven. En de beste en meest voor de hand liggende plaats om dat te doen is in de relatie met de partner.

Ook de mannen hebben vaak weerstand tegen relatiegesprekken. Ze zijn bang voor veroordeling en onbegrip. De houding van de man  kan eveneens leiden tot een complementair patroon bij de hulpverlener. Hij kan terechtkomen in de rol van de strenge, straffende ouder. Hiermee zal hij niet in staat zijn de zachtere, kwetsbare kant van de man aan te spreken. Hulpverleners herkennen gemakkelijk de angst van de vrouw, en maken van haar het slachtoffer. Ze zien daarmee niet dat de angst en frustratie van de man even legitiem zijn.  Hij voelt zich niet begrepen en wordt bozer, wat de overtuiging van de hulpverlener dat hij een “dader” is, versterkt.

Over het algemeen kan gezegd worden dat bij beide partners sprake is van zichtbaar copinggedrag, en van onzichtbare kwetsbaarheid. Het is de taak van de hulpverlener om onder het zichtbare copinggedrag de onzichtbare kwetsbaarheid van de cliënten te signaleren.

In het kader van dit artikel heb ik er voor gekozen een seksespecifiek interactiepatroon te beschrijven  zoals  dr.P. Love en S. Stosney dat doen in hun boek “How to improve your marriage without talking about it” 5. Zij beschrijven hoe pijnplekken uit het verleden de neiging hebben zich te herhalen in het heden. Vroeger veel kritiek gekregen, maakt nu ook gevoelig voor kritiek. Zij gaan daarbij zelfs een stap verder. Het gaat voor hen niet alleen om pijnplekken uit het verleden, maar ook om algemene mannelijke en vrouwelijke kwetsbaarheden die in relaties vroeg of laat opspelen en elkaar dan versterken. De twee kwetsbaarheden die zij noemen (en  in hun boek ook onderbouwen met wetenschappelijke onderzoeken) zijn angst om alleen gelaten te worden (vrouwen) en schaamte, het idee niet goed genoeg te zijn (mannen).

Wat zij beschrijven klopt precies met wat ik in veel relaties tegenkom. De cirkel die er vaak ontstaat is: Zij is bang er alleen voor te staan. Ze uit haar angst, maar hij hoort dat hij tekortschiet en komt in zijn schaamte terecht. Of hij zich nou terugtrekt , zich verdedigt of in de aanval gaat, zij voelt zich er daardoor meer alleen voor staan en komt verder in haar angst terecht. Een man die zich terugtrekt of verdedigt probeert uit de greep van schaamte te komen. Het is zijn beste poging om de rust te bewaren. Een vrouw die haar angst uit zoekt contact. Het is haar beste poging om de relatie te herstellen. Maar beide pogingen versterken zowel de angst als de schaamte. En in sommige relaties uit zich dat tenslotte in geweld. Maar dit geweld is dan meestal het eindproduct van een elkaar niet begrijpen en waarderen.

Wat betekent dit voor de hulpverlener?

Dit betekent dat de nadruk in de behandeling moet liggen op het doorbreken van deze interactiecirkels. Dit vraagt van de hulpverlener een aantal vaardigheden:

  1. De hulpverlener moet zelf niet bang zijn voor geweld, maar het herkennen als signaal. Een hulpverlener die bang is voor geweld zal zich te veel identificeren met “het slachtoffer”. Wanneer de hulpverlener deze angst toch ervaart, dient zij deze bij voorkeur zo open en persoonlijk mogelijk te bespreken. “Ik merk dat ik bang ben en geneigd ben me terug te trekken als je zo reageert, maar dat wil ik niet.”
  2. De hulpverlener moet instaat zijn om het patroon als vijand te zien en niet te denken in dader en slachtoffer. Dat vraagt een houding van meerzijdige partijdigheid. Deze term betekent niet dat je niets vinden mag en neutraal bent. Het betekent dat je beide belangen en kwetsbaarheden in het oog houdt. En open bent over waar jij staat en wat jij vindt. Zeker wanneer cliënten je in hun kamp proberen te krijgen. “Ik begrijp dat je je in wat ik zeg herkent, maar ik zou het prettiger vinden wanneer je dit vanuit jezelf zo tegen hem/haar zegt.”
  3. De hulpverlener moet zo snel mogelijk met alle partijen en liefst met man en vrouw samen praten. Daarvoor is ten eerste de overtuiging nodig dat dit belangrijk is. Hoe duidelijker de hulpverlener ervaart dat dit nodig is, hoe meer de wens tot het zien van alle partijen een persoonlijk standpunt is. Daarvoor durven staan is meteen duidelijk voorbeeldgedrag over hoe je je eigen wensen en behoeften serieus neemt. Daarnaast is begrip hebben voor de angst en de weerstand van de ander ook belangrijk, maar niet ten koste van wat jij als hulverlener nodig hebt om goed hulp te verlenen.
  4. De hulpverlener dient verder te kijken dan het geweld door zich voornamelijk te richten op de niet werkende patronen die dit geweld veroorzaken. Wat betekent zijn heftigheid en wat haar kritische of onderdanige houding? Hij moet daar consequent het gesprek naartoe leiden. Hij dient ook de reeds aanwezige positieve krachten in een gezin op te sporen. Zelfs in de negatieve interactiecirkels. Zich terugtrekken kan namelijk ook gezien worden als een positieve poging om de rust te bewaren. Dat is wat de beide partijen meestal kwijtgeraakt zijn: Achter slecht gedrag een goede reden zien. Een hulpverlener die door het “slechte gedrag” heen durft te kijken geeft meteen in het hier-en-nu een voorbeeld hoe je voorbij het gedrag van de ander kunt kijken naar diens kwetsbaarheid. Want geweld is immers een beschermingsmechanisme. En beschermingsmechanismen hebben we nodig als we ons kwetsbaar voelen.
  5. De hulpverlener moet alle negatieve interacties die in het hier-en-nu van het gesprek voorkomen consequent kunnen stoppen. Beide partijen moeten leren datgene wat niet werkt en waarmee de ander pijn gedaan wordt te stoppen. Een hulpverlener die daar een speerpunt van maakt, werkt aan nieuw gedrag. De hulpverleningssessie is de proeftuin voor dit nieuwe gedrag. Wat niet werkt moet niet alleen gestopt worden, de cliënten moeten ook uitgedaagd worden in het hier-en-nu opzoek te gaan naar wat er onder deze nare reactie zit. “Ik zie dat je nu verwijtend wordt en ik zie je partner zich meteen terugtrekken. Dat is het patroon waar jullie steeds in terecht komen. Maar sta eens stil bij wat er in je gebeurt, waardoor je met een verwijt komt. Volgens mij voel je je nu heel alleen. Klopt dat?”
  6. De hulpverlener moet zelf in staat zijn om de diepere laag van zijn gevoel te herkennen. Werken met stellen waar geweld speelt roept allerlei gevoelens en gedachten op. Zoals die ook bij de cliënten in hun interactie met elkaar opgeroepen worden. Wat zij te leren hebben is hier woorden aan te geven. De snelste manier om dat te leren is een hulpverlener die het voorbeeld geeft van hoe je dit doet. “Ik kan het heel moeilijk verkroppen dat jij je vrouw slaat. Ik vind het niet gemakkelijk om dan niet in een oordeel te schieten.Maar dat wil ik niet, want ik denk ook dat jij dat niet voor niets doet. Kun jij mij vertellen wat maakt dat je daartoe komt? Partners die vast zitten in de geweldspiraal vinden vaak weinig erkenning bij elkaar. Juist dat is wat de hulpverlener wel kan brengen. Niet alleen door hen daarop aan te spreken, maar vooral door het voorbeeld te zijn van hoe je dat doet. “Practice what you preach.”

Vaak wordt gesteld dat veiligheid voorop moet staan en dat het geweld eerst moet stoppen, voordat er sprake kan zijn van therapie zoals hierboven beschreven. Hoewel dit een begrijpelijke visie is aangezien geweld een ernstig en bedreigend fenomeen is, kan het de aandacht ook te veel richten op het symptoom. Wanneer hoofdpijn een symptoom is van te hard werken zeggen we ook niet dat de hoofdpijn eerst moet stoppen voor we naar het harde werken gaan kijken. We gaan er dan van uit dat de hoofdpijn zal stoppen wanneer iemand meer rust neemt. Zo gaat de Gestaltgezinstherapie er vanuit dat het symptoom pas zal verdwijnen wanneer de interactie die het symptoom oproept plaats zal maken voor een interactie waarbij het symptoom niet meer “nodig” is.

Een iets aangepaste versie van dit artikel is opgenomen in het nieuwe blad PsychoSociaal digitaal van maart 2016.

 

[1]Bouwkamp R. en Bouwkamp S. (2013) Dicht bij huis. De Tijdstroom, Utrecht

[2]Guldenaar, R (2012) Systeemgericht werken binnen de vrouwenopvang. Amersfoort

[3]Evertz, K. e.a. (2011) De Oranje Huis-aanpak. Blijf van mijn lijf nieuwe stijl. Amsterdam: Blijf Groep

[4]Johnson, S. (2009) Houd me vast. Zeven gesprekken voor een hechte(re) en veilige relatie. Kosmos. Utrecht

Share This