Harry Potter en het monster van de jeugdhulpverlening

Aanklacht, biecht en hoop

De populaire en bekende romanfiguur Harry Potter is een pleegkind en cliënt van de Jeugdhulpverlening in de tovenaarswereld. Na de plotselinge en gewelddadige dood van zijn ouders wordt hij, noodgedwongen voor zijn eigen veiligheid, weggerukt uit de voor hem bekende omgeving en in een Dreuzelpleeggezin geplaatst.

De plaatsing is traumatisch voor baby Harry. Hij verliest zijn identiteit en het contact met iedereen die hem vertrouwd is. Hij treft het bovendien ook nog eens bijzonder slecht met zijn pleeggezin. Hij woont tot zijn puberteit met mensen waar hij geen binding mee ervaart. Meestentijds is de ruimte onder de trap de plek waar hij het mee moet doen. Hij wordt niet geaccepteerd en niet begrepen door zijn pleegouders. Hij kan niet overweg met hun zoon en hij wordt ernstig affectief verwaarloosd. De autoriteiten die hem bij zijn oom en tante hebben geplaatst zijn niet op de hoogte van deze schrijnende situatie, hebben zich jarenlang niet afgevraagd hoe het met Harry ging en zijn geschokt als ze uiteindelijk horen hoe hij zich onder hun verantwoordelijkheid heeft moeten ontwikkelen, maar doen daar verder weinig mee.

Sprookje

Een modern sprookje? Een kippenvelgriezelverhaal voor kinderen over een kind in een wereld die de onze niet is? Een “Er was eens…” Niet te vergelijken met onze beschermde, gecontroleerde, met regels dichtgetimmerde, op wetenschappelijke basis gestoelde, kindvriendelijke maatschappij, waar op iedere hoek van de straat een gediplomeerde hulpverlener staat te wachten om onze trauma’s te helpen verwerken? Helaas, er zijn vandaag de dag vele Harry’s en Harryettes
in Nederland.
Ik werk nu zo’n tien jaar op verschillende niveaus voor verschillende organisaties die zich bezig houden met jeugdhulpverlening en pleegzorg en ik kom ze dagelijks tegen. Harry’s en Harryettes, tovenaars en Dreuzels. Liefdevolle, zorgzame, kundige en onkundige, radeloze en blije pleegouders en meer of minder onmachtige, wanhopige ouders die hun Harry’s niet in de steek willen laten. Hulpverleners die ondanks de loden last van indiceren, rapporteren en registreren hun eigenlijke werk proberen te blijven doen. Die erbij willen blijven en die enorm hun best doen om die kleine overlevers ondanks alles toch goed groot te krijgen. Met z’n allen zitten ze in de ruimte onder de trap.
Ik voel me vaak een roepende in de beleidswoestijn. Met dit artikel wil ik even de stem zijn voor al die kleine en grotere overlevers die geen stem hebben. Die net als Harry onzichtbaar voor de beleidsmakers en de eindverantwoordelijken proberen toch volwassen te worden in een waanzinnige wereld die ze niet begrijpen. Ik wil met dit artikel even een stem zijn voor al die struikelende, worstelende, strijdende, goedwillende mensen die in de waanzin van het huidige bestel hun werk proberen te doen. Want ondanks alles kom ik toch zelden onverschilligheid tegen.

Aanklacht

Ik werk sinds 1998 voor verschillende organisaties die zich bezig houden met jeugdhulpverlening, waaronder pleegzorg.
Een groot deel van mijn volwassen leven heb ik de kost verdiend in de retail branche. Een sector waar het draait om winsten en marches. Voor ik in dit werk begon was pleegzorg voor mij een onbekend fenomeen. Ik hoorde bij de massa die de mening had, dat als er een familiedrama in het nieuws kwam: “Ze er iets aan moesten doen.” Waar die kinderen dan groot moesten worden en hoe, dat had ik me nooit afgevraagd.
De Sire campagnes, waarin mensen met ‘een hart met nog wat ruimte’ worden gezocht en de kinderen die ‘zichzelf niet op kunnen voeden’ hebben bekendheid gegeven aan pleegzorg.

Ondertussen merk ik om me heen dat zij die niet in ‘het vak’ zitten geen idee hebben hoe pleegkinderen opgroeien. Geen idee hebben hoe ouders moeten leren accepteren of op zijn minst verdragen dat hun kind een ander gezin zijn thuis noemt en hoe pleegouders en hulpverleners hun werk moeten doen.

Ik ervaar de huidige regelgeving en jeugdhulpverleningsorganisatie als een aanklacht tegen het gezonde verstand. Als een extra belasting en belemmering in het toch al lastige hulpverleningstraject voor ouders en pleegouders en als een belemmering voor professionals om kwalitatief hoogwaardig en bevredigend werk af te kunnen leveren.
Toen ik in 1996 in dit vak begon stond de nieuwe wet op de jeugdhulpverlening nog in de steigers. 1 januari 2005 is de wet in werking getreden. Mijns inziens is het een monster geworden dat haar doel voorbij is gestreefd. Ik heb het veelkoppige bureaucratische monster de afgelopen jaren zien groeien en groeien. Er is inmiddels zelfs een compleet Ministerie voor Jeugd en Gezin. Het bureaucratische monster maakt hulpverleners machteloos en de wereld voor kinderen gevaarlijker, want een van zijn koppen is het veroorzaken van schijnveiligheid.

Dit alarmerende feit begint langzaam door te dringen tot de politiek en de beleidsmakers. Er wordt voorzichtig gemopperd in het werkveld en geroepen om vermindering van regeldruk. Maar het kabinet is gevallen, er is een wereldwijde economische crisis uitgebroken en er zijn andere, dringende prioriteiten. Ondertussen wachten de ouders, de kinderen en hun hulpverleners onder de trap. En het monster groeit. Ministerie voor Jeugd en Gezin, Centrum voor Jeugd en Gezin, ieder kind een digitaal dossier. “Ieder kind één plan!” roept minister Rouvoet goed bedoelend. Ja, één plan in ieder van de ontelbare organisaties die zich bezig houden met Harry.

De wet op de jeugdzorg

De huidige Wet op de jeugdzorg is het resultaat van bijna honderd jaar kinderwetten. Het eerste is het bekende ‘Wetje van van Houten’ uit 1874: De Wet houdende maatregelen tot het tegengaan van overmatigen arbeid en verwaarloozing van kinderen.
De belangrijkste voor de huidige wet is haar voorloper uit 1989: De Wet op de Jeugdhulpverlening. Vooral het ‘zo-zo-zo-principe’ was in deze wet belangrijk. ‘zo-zo-zo’ staat voor; zo dichtbij mogelijk, zo kort mogelijk en zo licht mogelijk.
Daarom waren er in alle regio’s van het land locaties en instellingen om kinderen op te vangen en te helpen. Er ontstond daarmee een onduidelijke situatie. De zogenaamde verkokering en versnippering van de jeugdzorg. Er waren te veel
en te kleine zorgaanbieders die allemaal op hun eigen manier, los van elkaar, gescheiden door religieuze en ideële beginselen aan het werk waren en te weinig met elkaar communiceerden.
Het belangrijkste doel van de Wet op de jeugdzorg, die op 1 januari 2005 van kracht werd, was dan ook het verbeteren van de organisatie in de jeugdzorg. Dat is niet gelukt. De jeugdzorg
is overgeorganiseerd geraakt met als resultaat het monster.

Via de trapkast naar de muur en weer terug

Van melding tot zaak

Om de gang van ‘zaken’ inzichtelijk te maken roep ik de zaak Harry hier in het leven als fictieve situatie. De ouders van Harry zijn, anders dan de ouders van de romanfiguur Harry Potter, in leven. Ze zitten zo ernstig in de problemen dat zij Harry’s wereld niet veilig hebben weten te houden. Daarnaast hebben ze hem niet kunnen bieden wat hij nodig heeft om zich zo te ontwikkelen dat hij leeftijdsadequaat functioneert. Het is hen niet gelukt om zelf aan de bel te trekken. Daarom belt op een morgen de juf van de vierjarige Harry naar het Advies en Meldpunt Kindermishandeling. Harry van net vier is na dagen afwezig te zijn geweest weer op school gekomen zonder sokken bij min 5°C, hij ruikt vies en in de zandbak is hij zomaar in slaap gevallen.

Traject binnen Bureau Jeugdzorg
Advies en Meldpunt Kindermishandeling (AMK, onderdeel van Bureau Jeugdzorg) > > Raad voor de Kinderbescherming
> Kinderrechter
> Bureau Jeugdzorg
> Screeningsafdeling Bureau Jeugdzorg
> Indicator
> Naar de zorgaanbieder voor pleegzorg

Traject binnen de organisatie van de zorgaanbieder
Zorg Regie Bureau >
> Afdelingsmanager
> Werkbegeleider
> Hulpverlener/pleegzorgwerker >

Iedere overstap van de ene naar de andere hand in dit hele traject van het telefoontje van de juf tot de begeleiding van het kind in het pleeggezin en de hulp aan ouders dient onder de huidige regelgeving gedocumenteerd te worden. Dit betekent registratie van iedere handeling van de ene naar de andere persoon, van de ene naar de andere afdeling en van de ene naar de andere organisatie in een dichtgetimmerd en voorgestructureerd registratiesysteem. Een zaak moet immers in het systeem van organisaties met honderden werkers terug te vinden zijn, ook als de desbetreffende vaak overbelaste persoon in de organisatie naar een andere baan is vertrokken, ziek is geworden of vergeten is alwaar het ook weer over ging.
De AMK-werker vindt de moeder van Harry onder invloed op de bank, de hond heeft in huis gepoept. Harry’s vader is vier weken geleden met veel lawaai vertrokken naar een onbekende bestemming. Na de daarvoor geëigende juridische stappen via verschillende medewerkers van Bureau Jeugdzorg, de Raad voor de Kinderbescherming en de kinderrechter neemt ze Harry mee.

Er wordt door de voorziening voor pleegzorg een plekje voor Harry gevonden in een crisispleeggezin dat hem voor de komende zes weken op wil vangen. Daar blijkt dat Harry er wel erg vreemde gewoonten op na houdt.
Harry’s gewoonten zijn voor het pleeggezin lastig te hanteren. Hij grijpt pleegvader in zijn kruis, hij tekent piemels op het behang en slaat en knijpt de andere kinderen in het gezin. Hij eet alles wat maar enigszins eetbaar lijkt. Ook als dat onder zijn schoen geplakt zit. De pleegzorgwerker heeft er haar handen vol aan om Harry’s pleegouders zo te ondersteunen en te adviseren dat zij het volhouden met Harry. Ze is namelijk zo’n 60% van haar tijd bezig om achter haar computer alles netjes in het systeem van de zorgaanbieder te registreren, ze zet op papier wat Harry zoal doet en ze verwoord in werkdoelen en middelen wat daar aan veranderd dient te worden.

Papier en dossier
Plan van aan pak van Bureau Jeugdzorg >
> Analyseverslag van Bureau Jeugdzorg
> Indicatiestelling
> Hulpverleningsplan van de zorgaanbieder
> Plan voor de hulpverleningsdoelen voor het pleegkind
> Plan met werkdoelen voor het pleeggezin (pleegzorgbegeleidingplan)

Na zes weken moet Harry echter naar een ander gezin. Dat gezin wordt begeleid door een andere pleegzorgwerker die net als de eerste ook zo’n 60% van haar tijd bezig is achter een beeldscherm.

Ondertussen is er ook hulp voor Harry’s moeder opgestart. Harry gaat wekelijks begeleid door een Intensief pedagogische hulpverlener van de zorgaanbieder, die ook zijn pleegouders begeleid, bij zijn moeder op bezoek. Haar taak is de moeder van Harry te leren Harry zo te verzorgen en op te voeden dat hij zich wel in de goede richting kan gaan ontwikkelen. Een psychiater en een begeleider van weer een andere organisatie gaan aan de slag met moeder in verband met haar depressie. Er komt een begeleider voor groepstherapie voor moeders alcoholverslaving. Ook is er een schuldhulpverlener voor het gezin en een therapeut in de stad waar vader in de noodopvang zit, die helpt om Harry’s vader anders met zijn boosheid om te leren gaan zodat hij niet langer slaat, maar praat. Ook de maatschappelijkwerker en de begeleider van de noodopvang registreren wat ze die dag hebben gedaan. Iedere hulpverlener heeft haar eigen indicatie, haar eigen protocollen, haar eigen papierwerk. Iedere handeling van iedere werker wordt vervolgens door die werker in een registratiesysteem gezet.

De koppen van het monster

Melding
Bij zorgen om Harry, omdat er een telefoontje van de juf binnenkomt over koude voeten, blauwe plekken en veel lawaai in huis wordt er eerst naar formulier A gegrepen zodat als het verder mis gaat men kan laten zien dat er toch echt volgens het protocol gehandeld is.
Formulier A is belangrijker geworden dan de zorgen om het gezin.

Registratie en rapportage
In het huidige, enorm complexe bestel is de registratie van iedere handeling noodzakelijk. Zaken mogen immers niet achter het bureau vallen. Alles moet terug te vinden zijn. Wie heeft wat wanneer gedaan en waarom. Het plan van, nu demissionair, minister Rouvoet is, om al die verschillende registratiesystemen aan elkaar te koppelen zodat er één digitaal Kinddossier ontstaat waarin alle hulp aan Harry terug te vinden is. Hij vergeet daarbij dat in deze kop van het monster wel de relevante informatie is opgeslagen, maar dat die voor een werker die de zaak nog niet kent nog steeds niet terug te vinden is. Na een jaar is er immers zoveel geregistreerd door zoveel verschillende mensen dat je door de bomen het bos niet meer ziet. Er is dan nog steeds een gewoon papieren A4tje nodig waarop iemand samen heeft gevat wat er zoal gedaan is, met welk resultaat en hoe het nu met Harry is.

Financiën
In 2010 zal de financiering van de zorgvoorzieningen worden gebaseerd op de handelingen die daadwerkelijk zijn gedaan en dus geregistreerd. Iedere niet geregistreerde handeling is dan een niet betaalde handeling die wel op kosten van de zorgaanbieder komt. Dit betekent dat er nog minutieuzer geregistreerd moet worden want niet geregistreerd, geen geld. Ondertussen wordt er tussen organisaties, gemeenten, provincie en rijk geknokt over wachtlijsten, plaatsingsstops en efficiënter werken voor minder geld.

Samenwerking
In de doorstroom van de zaak Harry van Advies en Meldpunt Kindermishandeling naar zijn tijdelijke plekje in het crisispleeggezin en vandaar verder zitten, behalve de tijd die zijn hulpverleners offeren in het registreren van hun handelen, veel andere hobbels, zoals samenwerkingsperikelen. Een nauwe, soepele samenwerking tussen alle hulpverleners in een zaak als die van kleuter Harry is welhaast onmogelijk, maar essentieel voor goede zorg. Bureau Jeugdzorg beslist, de zorgaanbieder adviseert en voert uit. De werker van Bureau Jeugdzorg die meestal alleen globaal op de hoogte is van de gang van alle ins en outs van een zaak en de werker van de zorgaanbieder die met Harry en zijn pleegouders aan het werk is geweest moeten zo samenwerken en informatie uitwisselen dat de een beslissingen kan nemen op de kennis van de ander.
Vergelijk het met een chirurg die de beslissing tot wel of niet amputeren moet nemen op de informatie die hij krijgt van derden.

Taakafbakening en visie verschillen
Tussen werkers van Bureau Jeugdzorg en de hulpverleners in dienst van de zorgaanbieder bestaan essentiële verschillen. Het is een groot verschil in visie tussen hulpverleners die vanuit een hulpverlenende perceptie werken en sociale controle beambten zoals jeugdbeschermers die voor Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming werken. Hulpverleners zoeken naar nieuw en ander gedrag. Ze willen beweging brengen in het (dis)functioneren van een gezin en weten dat ze daarbij soms risico’s moeten nemen. Risico’s waar de hulpverlener onder de huidige paraplu van Bureau Jeugdzorg geen verantwoordelijkheid voor kan nemen. Fysieke veiligheid van het kind staat voorop, al het andere is daaraan ondergeschikt gemaakt. De Sociale controle ambtenaren van Bureau Jeugdzorg zoeken naar stabiliteit en rust. Ze willen gegarandeerde fysieke veiligheid en willen onrust en problemen voorkomen. Ze zijn niet gericht op verandering, maar op aanpassing. Daarnaast hebben ook de Raad voor de Kinderbescherming en de rechter haar eigen belangen in en visie op de situatie van Harry en zijn ouders.
Als Harry dus eenmaal al dan niet vrijwillig uithuis is geplaatst gebeurd er weinig meer, want de onveilige situatie is opgelost. Hij zit immers veilig in een pleeggezin en iedere interventie in deze stabiliteit veroorzaakt mogelijk deining. Na plaatsing stagneert de hulp aan het gezin dan ook vaak direct. Moeder haakt af, want ze verliest haar motivatie nu ze Harry nog maar een keer per week twee uur ziet. Haar depressie verdiept zich. Haar bereidheid om ondanks haar relatieproblemen zich in te zetten voor Harry blijkt op deze basis geen haalbare kaart. Harry vervreemdt van haar en schiet wortel in zijn derde pleeggezin. Daar krijgt hij nog steeds wel therapie van alweer een andere hulpverlener.

Meer koppen

Er zijn vandaag de dag vele krachten die in het werkveld van de jeugdhulpverlening met elkaar in botsing komen. Er is het medische model waarin de hulpverlener de alleswetende en beslissende deskundige is. Er is marktwerking die concurrentie met andere voorzieningen creëert. Er is het keurslijf van de HKZ certificering om te kunnen benchmarken. Dit is het vergelijken van efficiëntie en kostenplaatjes van de ene ten opzichte van de andere zorgaanbieder. De bureaucratisering en de verantwoording tegenover financiers brengt een bizarre berg papierwerk en registratiewerk met zich mee. Werkprocessen dienen gestandaardiseerd, productienormen gesteld en registratiesystemen geïmplementeerd te worden en dat moet allemaal in ICT-programma’s worden ingevoerd. Daarmee wordt de deskundigheid van professionals gereduceerd tot protocollen en stroomdiagrammen. Er heerst ‘managementisme’ een term die doelt op managers op sleutelposities die geen kennis hebben van het inhoudelijke werk, maar die wel beslissingen nemen die verregaande consequenties hebben voor het uitvoerende werk en daarmee voor werkers en cliënten.

Door deze ontwikkelingen wordt de professional meer en meer buiten spel gezet en bepaalt de bureaucratie groeiend inhoud en vorm van de hulpverlening. In dit krachtenveld hebben ouders en kinderen, pleegouders en hulpverleners schijnbaar geen poot om op te staan.

Pleegzorg, de hulpverlening aan kinderen, ouders en pleegouders als professie, zit klem tussen sociale controle ambtenaren van BJZ, deskundigen die werken vanuit het medische model met de DSM-4 in de hand, de bureaucratie van haar managers en vooral ook haar eigen behoudzucht en gebrek aan durf.
Jos van der Lans stelt in zijn boek Ontregelen – De herovering van de werkvloer (Jos van der Lans, 2008) een prangende vraag en ik met hem: waarom pikken al die uitvoerende werkers het eigenlijk allemaal? Waarom is in de publieke sector in dit land niet de pleuris uitgebroken toen bleek dat de uitvoerende dienaren steeds dieper moesten zuchten onder registratieverplichtingen, outputmetingen, verantwoordingsprotocollen, tijdschrijven en wat dies meer zij? Nu we bijna overal – van links tot rechts Nederland – ervan overtuigd zijn dat de hele verantwoordingsbureaucratie op hol geslagen is, is het toch relevant om je de vraag te stellen waarom mensen dat allemaal hebben laten gebeuren?

Biecht

Het antwoord is naar mijn idee tegelijk de biecht uit de titel van dit artikel. Ik denk dat we eigenlijk het antwoord wel weten. Professionals zijn – zoals de meeste werknemers – zekerheidzoekende exemplaren van de menselijke soort. Verandering is altijd eng. Beter de zekerheid van een slechte, maar bekende situatie dan de onzekerheid van het onbekende. Alles wat de professional de laatste decennia over zich heen heeft gekregen, heeft niet alleen hun professionele vrijheden beknot, het heeft ook de overzichtelijkheid van hun werk vergroot. Het heeft de planbaarheid van het werk gestimuleerd en ook de aard van de werkzaamheden inzichtelijk gemaakt. We zijn dus niet louter slachtoffers, we hebben er ook de organisatorische en psychologische voordelen van geplukt. De nadruk op allerhande organisatorische vereisten heeft professionals ook zekerheid geboden, het werk is niet alleen voor managers, maar ook voor onszelf meer beheersbaar geworden. Je weet wat de leiding van je verwacht. Als je op tijd je huisbezoeken aflegt en registreert zit je goed. En daarom is de cultuur die nu steeds meer onder druk komt te staan ook zo moeilijk veranderbaar. Het is de gevestigde orde geworden en aan het voortbestaan daarvan zijn organisatorische, psychologische en professionele zekerheden verbonden. Dat is dus wel zo gemakkelijk en dat is begrijpelijk, maar het veroorzaakt tegelijkertijd een ramp. Want in feite kiezen we zo dus voor het gemak van de bekende weg in plaats van voor kwalitatief goede hulpverlening aan gezinnen in ernstige problemen.

Ik ervaar dit als aansturend en controlerend stafmedewerker dagelijks zelf. Werkers doen braaf wat hen opgedragen wordt. Ze brengen meer dan de helft van hun tijd door met registreren van wat ze in het andere deel van hun tijd hebben gedaan en dat terwijl de Harry’s en hun ouders om hulp staan te schreeuwen om de hoek van het kantoor. We zijn met z’n allen murw geworden door de voortdurende veranderingen en beperkingen en we hebben het gevoel geen andere keuze te hebben dan steeds maar weer aanpassen aan wat ons wordt opgelegd.

Hoop

Om in deze dichtgetimmerde bureaucratische brei een ommekeer aan te brengen is gelukkig geen Harry Potter tovenaar of magie nodig. Het gaat om moed en durf, om lef. Om de verantwoordelijkheid terug pakken. Om persoonlijk durven zijn. Om echt betrokken te durven raken en daarbij op je eigen, autonome, professionele voeten te durven gaan staan. Om je kop boven het maaiveld uit te durven steken. Om niet naar een formulier te grijpen als er een ingewikkelde kwestie voorbij komt, zodat je je veilig kunt stellen, maar om die kwestie aan te durven pakken. Met misschien het risico dat er iets mis gaat en jij daarvan de schuld in de schoenen geschoven krijgt. Nu pakken we formulier A ‘wat te doen bij een melding van kindermishandeling’. Als dat ingevuld is en het ligt in het postvak van de manager dan kan er van alles misgaan, maar dan treft mij geen blaam!
Persoonlijk vind ik het beschamend dat op deze manier het belang van kinderen en gezinnen wordt opgeofferd aan beheersbaarheid, controle en het schoonhouden van het eigen straatje.

Hulpverleners zouden helend moeten zijn voor hun cliënten, maar dat kan alleen als ze met die cliënten ook werkelijk een relatie aangaan. Want dat is immers wat die moeten leren: hoe kun je tegelijkertijd de zorg voor de ander en de zorg voor jezelf realiseren, hoe doe je dat in Godsnaam? Als je gezinnen dat leert, dan werk je aan echte veiligheid voor kinderen.
Daarvoor is een cultuurverandering nodig. Geen ingewikkelde beleidsveranderingen of grote organisatorische ingrepen. Bureau Jeugdzorg kan binnen de huidige regelgeving als ondersteunend in plaats van bepalend en beslissend te werk gaan.
Het vraagt wel om een duidelijke profilering en vooral om een stevige positionering van de uitvoerend werkers, maar het is mogelijk. Het is een kwestie van jezelf en elkaar toestemming geven een ‘professional’ te zijn.
Professionals kunnen hun professie terugpakken. Zij weten immers uit ervaring wat nodig is? Zij zijn toch de experts? De vaklui, de deskundigen?

Zij kunnen hun cliënten helpen de verantwoordelijkheid voor hun leven te behouden, want dat werkt het beste. Dat blijkt uit onderzoek en dat weet iedere werker die met gezinnen te maken heeft waarin ouders alles uit hun handen hebben laten vallen, omdat ze alle vertrouwen in zichzelf verloren zijn. Het is nodig dat hulpverleners in alle disciplines weer durven gaan staan voor hun vak, hun kennis en ervaring durven laten zien en uitdragen. Dat ze weer trots zijn op hun bijdrage aan de samenleving. Dat ze zich weer professionals voelen. Dat die term daadwerkelijk weer betekent waar het ooit voor stond: Zelfstandig werkende vaklui. Het is nodig dat ze gebaseerd op dat zelfvertrouwen weer beslissingen durven nemen en dat ze op de werkvloer weer opnieuw leren samenwerken. Dat ze durven kiezen voor de kwaliteit van de hulpverlening in plaats van voor een protocol. Dat ze durven kiezen voor een koers en een creatieve oplossing die passend is bij die speciale individuele zaak. Dat ze dat leidend laten durven laten zijn, dat hulp weer maatwerk wordt in plaats van confectie.

We hebben ons onze professie laten ontnemen en we zitten nu gevangen in rapporteren, registreren, tijdschrijven, indiceren, protocollen, diagnoses en medische modellen. Het is een parallel proces. Professionals zijn geworden als hun cliënten. We hebben faalangst, we zijn bang om afgerekend te worden op wat we hebben gedaan of nagelaten. We zijn bang om aangesproken te worden op onze verantwoordelijkheid. We zijn bang dat, als er ergens iets vreselijk mis gaat en er opnieuw een peuter in een kofferbak of in de Maas wordt gevonden wij dan voor de rechter moeten verschijnen. We zijn geworden als de moeder van Harry. We liggen uitgeteld en beneveld op de bank.

Ik roep de bevlogen, betrokken en ervaren hulpverleners van alle disciplines op die het lef hebben om hun mond open te doen, die vanachter hun beeldscherm durven komen en die stelling durven nemen om buiten de kaders te denken en te handelen. Er moeten er heel veel zijn die de protocollen en de gestandaardiseerde behandelplannen los durven laten en werkelijk naar hun cliënten durven luisteren. Als het er in ieder team maar twee zijn, dan zal dat al een verandering van binnenuit teweeg brengen die een groei in de goede richting bewerkstelligen zal. Het mopperen op de bureaucratie is overal te horen.

Nu nog handelen!

Tannetje van der Wekken

Share This