Co-dependentie gezien door de bril van gestaltgezinstherapie

Een tijd geleden zat ik in Kreta buiten in de schaduw van de warme zon aan een tafeltje te werken aan een presentatie over co-dependentie. Ik keek uit over een blauwe kalme zee en dacht aan wat ik nog toe te voegen had aan alles wat iedereen al weet over co-dependentie. Het moest natuurlijk gaan over hoe je als co-dependent weer je eigen leven in handen kunt nemen, wanneer je vastzit aan een partner die verslaafd of dwangmatig is.
Maar wat wil ik daarover vertellen? Dit is trouwens typisch een vraag die een verstokte co-dependent niet zo gauw aan zichzelf zou stellen. Die vraagt zich nooit af wat zij zelf wil, die is altijd bezig met wat een ander nodig heeft. In dit artikel wil ik dan ook inzoomen op het ongezonde relatiepatroon tussen de co-dependent en haar verslaafde partner en de overeenkomsten tussen hen, waarbij ik eveneens stil sta bij de oorsprong van dit patroon. Ik zeg haar, maar het kan net zo goed een hij zijn. Al vermoed ik dat er meer vrouwen zijn die als co-dependent door het leven gaan dan mannen. Tot slot wil ik dit alles plaatsen in een gestalttheoretisch kader.

Voor wat betreft de keuze om in te zoomen op bepaalde aspecten van co-dependentie heb ik me ook laten leiden door mijn eigen ervaringen. Op veel punten zie ik gelijkenissen met mijn eigen leven. Ook ik heb relaties gekend waarin ik verstrikt was geraakt in een patroon, waarbij ik vurig verlangde dat de ander mij zou redden. Andersom ken ik ook ‘de redder’ in mij heel goed. Ik ken het gevoel van opwinding en koortsigheid, het gevoel dat ik de ander ‘moet’ helpen, waarbij – als bij een waanzinnige verliefdheid – die ander heel mijn denken en doen in beslag neemt. Ik ken ook de boosheid, omdat de ander niets doet met mijn goedbedoelde adviezen en inspanningen. Inmiddels weet ik nu dat als ik deze heftige gevoelens ervaar, ik op moet opletten, omdat ik wel eens getriggert zou kunnen zijn.
Als je, zoals ik, van huis uit hebt geleerd om voor overleving gericht te zijn op de behoeften van anderen,

is het een levenslange uitdaging om bij mezelf te blijven, om gehoor te geven aan al wat in mij wil leven en daaraan ook een stem te geven.

De co-dependent als redder

Zo zat ik dus in Kreta achter mijn laptop over de kalme zee uit te kijken. Ergens in de verte zag ik een bootje. Op een gegeven moment dobberde ik in gedachten zelf in dat bootje over de rustige zee. En waar ik ook heen keek, in de verte zag ik enkel en alleen maar een rechte streep die messcherp de wereld verdeelde in twee overzichtelijke blauwe vlakken. Boven lichtblauw en onder donkerblauw. Nergens was er een punt waarop ik me kon richten. ‘Waar moet ik naar toe?’, dacht ik bij mezelf, in de verte turend. Terwijl ik in gedachten hierover voor me uit staarde werd mijn aandacht getrokken door iets dat leek te spartelen in het water. Toen ik beter keek zag ik een arm naar me zwaaien. En het was niet het gewuif zoals de koningin pleegt te doen naar haar onderdanen. Nee, dit was het heftige gezwaai van iemand in nood.

Mijn hart begon te bonzen en ik voelde een zekere opwinding in me opkomen. Onmiddellijk ging ik overstag en zeilde op de drenkeling af, die dichterbij gekomen een weliswaar uitgeputte, maar ook aantrekkelijke, gebruinde jonge dame op een klein vlotje bleek te zijn. Ik wilde haar in de boot trekken, maar ze wilde niet. Ik voelde een lichte paniek in me opkomen, want in geen heinde en verre was er ook maar iets dat op leven of land leek en ik kon me niet voorstellen dat ze het lang zou redden op haar armetierige vlotje. In mijn beste Engels vroeg ik met klem of ze toch de boot in wilde komen. “Nee”, zei ze beslist: “ik red me wel”. Ik probeerde haar nog met een koud biertje in de boot te lokken, maar ze liet zich niet van haar overtuiging af brengen. Er zat niets anders op dan haar te laten gaan.
Het vervelende was echter dat ze maar in mijn gedachten bleef rondspoken. Waarom zwaaide ze dan in hemelsnaam naar me? Ze liet me niet meer los. Ik wist zeker dat ze zou omkomen door honger en dorst en het alleen nooit zou redden. Vastbesloten keerde ik, om opnieuw uit alle macht achter haar aan te varen.
Plotseling werd ik wakker uit mijn dagdroom en zag ik op het scherm van mijn laptop de volgende vraag staan: wat is nu de moraal van dit verhaal?

De moraal is, dat de co-dependent iemand is die zelf niet goed weet wat hij of zij wil of nodig heeft, die niet een eigen koers vaart, maar eigenlijk wat rond dobbert in het leven totdat er iemand op haar pad komt die gered moet worden en haar daarmee zin en een recht van bestaan verschaft.
De co-dependent ontbeert zelf een innerlijk kompas en laat zich leiden en bepalen door behoeften, keuzen en gedrag van anderen. Daaraan ten grondslag ligt mijns inziens een almachtige overtuiging: de overtuiging dat jij degene bent die het beter weet dan de ander, en dat alleen jij verantwoordelijk bent voor het welzijn van die ander. Jij alleen kunt de ander redden. Het gevolg hiervan is dat de co-dependent volledig de weg kwijt kan raken (het kompasnaaldje slaat alle kanten uit) en niet meer weet wie ze zelf is en wat ze zelf nodig heeft.
Het onbewuste bijeffect van dit afhankelijk zijn van de problemen van een ander is dat ze steeds verder afdrijft van de eigen leegte, het niet weten en de angst hiervoor. Dat lijkt misschien een voordeel, maar het centrum van de wereld, van de kosmos hoort in jezelf te liggen. Het probleem is, dat deze bij de co-dependent buiten zichzelf ligt, waardoor ze een gebrek aan controle ervaart.
Hoe paradoxaal dit ook mag klinken, dit is veiliger dan de aandacht naar binnen te richten, op het eigen kompas te varen, of te luisteren naar de eigen innerlijke stem of wat voor innerlijke (wan)klank dan ook. Op een net zo dwangmatige manier als de partner, die zich dwangmatig probeert af te sluiten van zijn of haar gevoelens door deze weg te drinken, te spuiten, te poetsen of heel hard te werken, probeert de co-dependent niet te voelen of stil te staan bij zichzelf door vooral maar bezig te zijn met de problemen van de ander.

Wezenlijk zijn ze volgens mij niet verschillend van elkaar. De verslaafde partner is verslaafd aan zijn drank, drugs of werk. De co-verslaafde partner is verslaafd aan de verslaafde partner en zijn of haar problemen. Beide verslavingen maskeren en verdringen hetzelfde: namelijk het niet voelen van de eigen pijn of leegte of van de angst voor deze pijn of leegte. In de kern is er sprake van hetzelfde tekort.

Melody Beattie noemt in haar boek Leef je eigen leven een aantal kenmerken die typerend zijn voor de co-dependent. Sommige van die kenmerken kwamen ook voor in mijn ‘dagdroom op zee’:
– te sterke obsessieve gerichtheid en betrokkenheid op de ander;
– beheersen/controleren van het welzijn, gedrag, gevoel van de ander;
– alles in de hand willen houden;
– niet op eigen benen staan;
– geen eigen grond hebben;
– onvoldoende verantwoordelijkheid dragen voor zichzelf (staat niet goed in contact met wat heb ik nodig, wat wil ik?);
– schuldig voelen bij te sterke gerichtheid op zichzelf of te weinige gerichtheid op de ander;
– angst (ergens is er een trigger, gaat er een circuspaard lopen);
– niet goed de grenzen gewaar zijn tussen wat de verantwoordelijkheid van de ander is en wat van jezelf is;
– gebrekkige zelfliefde/eigenwaarde;
– fysieke opwinding of gespannenheid, wat samen gaat met het ‘redden’;
– reagerend op de ander in plaats van vanuit jezelf;
– jezelf bekijken met de ogen van de ander (van buiten naar binnen in plaats van binnen naar buiten kijken).

Leo Aalders noemt in zijn artikel de co-dependent gelegenheidsgever. Hij zegt hierover dat de co-dependent het nodig heeft een ziek iemand naast zich te hebben om zelf bestaansrecht te hebben, om zelf gelukkig te kunnen zijn. De co-dependent is hierdoor afhankelijk geworden van de problemen van de ander. Daarmee is zij zonder dit te beseffen belanghebbende bij de ander, zonder problemen kan zij namelijk niet redden. De co-dependent houdt de problemen van de ander onbewust in stand door de ander al maar te willen ‘redden’ en heeft daardoor voor zichzelf en voor de ander een nieuw probleem gecreëerd. Zij is ongewild ‘gelegenheidsgever’ geworden. Door te redden, nodigt de co-dependent de ander niet uit om voor zichzelf te gaan zorgen of verantwoordelijkheid te nemen. Zij schept een situatie waarin de partner verslaafd kan blijven. Maar andersom geldt dit evenzeer: de zieke, de verslaafde of het slachtoffer is evenzeer gelegenheidsgever voor de co-dependent. Hij/zij houdt de ander ook in de positie van redder, door zelf geen verantwoordelijkheid te nemen en zich als slachtoffer op te stellen.

Ik herken dit patroon van toen ik nog werkzaam was als maatschappelijk werker. Wanneer je te lang en te veel de problemen van de cliënt zelf probeert op te lossen, houd je deze in een afhankelijkheidspositie en leert de cliënt niet haar eigen krachten te gebruiken en daarop te vertrouwen. Dit wordt ook wel het hulpvaardigheidsyndroom genoemd.
Ik kon me ook aan sommige cliënten irriteren. Cliënten die het al maar niet lukte om hun leven op orde te krijgen en die voor mijn gevoel voortdurend een appèl op me deden, waaraan ik vervolgens wel toegaf. Daaraan kan ik nu zien dat ik eveneens in de val van de reddersdriehoek terecht was gekomen. Deze cliënten ging ik dan in dit geval met tegenzin ‘redden’, maar eigenlijk voelde ik me slachtoffer van hen. Ik voelde me echter schuldig als ik niet aan hun vraag tegemoet kwam. In dit voorbeeld zie je ook dat de grens tussen slachtoffer en aanklager dun is.

Systeemdynamiek in de partnerrelatie

In de partnerrelatie speelt bij co-dependentie vaak een collusiepatroon. Hiervan is sprake wanneer er tussen twee partners een samenspel is waarbij ze elkaar stilzwijgend aanvullen. Onbewust is de partner gekozen op het opvullen van jouw onvolledigheid. De niet ontwikkelde delen worden uitbesteed aan de ander. De co-dependent is bijvoorbeeld de ‘sterke’, ‘reddert’ en draagt de verantwoordelijkheid voor het draaien van het gezin en de verslaafde of zieke partner is de ‘zwakkere’ die niet in staat is om verantwoordelijkheid voor zichzelf en de overige gezinsleden te dragen. Door deze rolverdeling wordt ieders positie als het ware versterkt. Er ontstaat een gefixeerd patroon, omdat bij beide part-
ners angst is om het bestaande evenwicht te veranderen, omdat ze dan de onontwikkelde delen van zichzelf tegen kunnen komen en ze zich daardoor onthand, onzeker en angstig voelen.

Zowel de co-dependent als de verslaafde partner, hebben mijns inziens hetzelfde behoeftige en gekwetste kind in zich dat verzorgd of gehoord wil worden, maar de verantwoordelijkheid daarvoor wordt door beiden aan de ander uitbesteed. Doordat de co-dependent zelf geen verantwoordelijkheid neemt voor deze innerlijke behoefte en een partner heeft gekozen die nog behoeftiger is dan zijzelf, herhaalt het verwaarlozende patroon uit haar verleden zich opnieuw: zij wordt dienstbaar aan het belang van anderen en niemand zorgt voor haar.

Misschien dat hierbij ook nog een ander mechanisme speelt: de co-dependent die onbewust in zijn of haar behoeftige partner de hulpeloosheid en de behoeftigheid van zichzelf herkent. Door de ander te redden probeert zij als het ware zichzelf te redden. Ik heb wel eens het idee dat er in de hulpverlening veel mensen werken die last hebben van deze vorm van co-dependentie.

Ik kan me voorstellen dat de posities in de reddersdriehoek kunnen wisselen en dat daardoor het complementaire evenwicht wordt verstoord. Bijvoorbeeld dat de sterkere partner de zwakkere gaat aanklagen, omdat hij of zij er emotioneel nooit voor haar is. En andersom ook dat de zwakkere partner kan gaan (aan)klagen, omdat hij of zij gek wordt van de bemoeizorg van de co-dependent en met rust gelaten wil worden. Met andere woorden de posities in de reddersdriehoek liggen niet voortdurend vast.
En een complementaire relatie kán veranderen in een symmetrische relatie, waarbij de partners met elkaar de strijd aangaan over hetgeen ze niet van elkaar krijgen of missen, omdat ze er (onbewust) naar verlangen dat de ander de verantwoordelijkheid neemt voor de eigen niet-ontwikkelde delen in plaats van die aan hen uit te besteden.
Een co-dependent kan in zijn reddersrol krachtig overkomen, maar staat in wezen niet op eigen grond. Er is sprake van schijnautonomie, omdat dit krachtige deel alleen krachtig is in het ten dienste staan aan de ander, maar niet ten dienste staat aan zichzelf.
Bij de co-dependent is, net zoals bij de verslaafde partner, het individuatieproces, dat er voor zorgt dat we uitgroeien tot een evenwichtig en zelfstandig individu ergens gestagneerd.

De oorsprong van dit patroon

Aalders zegt in zijn artikel dat co-dependentie een goedbedoelde reactie is op langdurig probleemgedrag. De co-dependent stemt haar gedrag, gedachten en gevoel op de ander af, in de veronderstelling daarmee de ander te helpen. Ik mis in deze definitie dat de basis voor dit gedrag al is gelegd in de kindertijd en dat het gaat om een overlevingsstrategie van een kind, die wordt voortgezet in het volwassen leven. De co-dependent is vaak zelf het kind van een verslaafde ouder of opgegroeid in een gezinssituatie waarin er weinig zorg voor haar was. Co-dependenten zijn vaak de geparentificeerde of anderszins verwaarloosde kinderen uit hun ouderlijk gezin. Op jonge leeftijd hebben zij al geleerd om zich verantwoordelijk te voelen voor het leven van de ander in plaats van voor zichzelf. Dit patroon herhaalt zich vervolgens in de volwassen partnerrelatie, waarin de co-dependent opnieuw in de rol van de redder schiet en daarmee opnieuw tekort wordt gedaan.
Co-dependentie kan ook ontstaan zonder een geschiedenis van verwaarlozing. Wanneer iemand langdurig in een situatie verkeert waarin hij te maken heeft met behoeftige en/of afhankelijke mensen, kan hij in een verzorgend patroon terecht komen en zichzelf daarbij kwijt raken. Maar ik denk dat dit minder ingrijpt in de persoonlijkheidsstructuur dan wanneer dit al vroeg in de kindertijd als overlevingstrategie is ontwikkeld. Je zou hier bijvoorbeeld achter kunnen komen door de codependent uit zijn ongezonde leefsituatie te halen. Ik denk dat de co-dependent van wie het gedrag een vroeg ontwikkelde overlevingsstrategie is, door zal gaan met het vertonen van dit ongezonde gedrag. Zij zal naar alle waarschijnlijkheid weer opnieuw in een relatie met een verslaafde stappen of zal proberen op een andere manier uiting te geven aan de behoefte om te redden. De ‘tijdelijke’ co-dependent, bijvoorbeeld een mantelzorger, die voor een chronisch ziek kind moet zorgen, zal wanneer deze situatie zich niet meer voordoet, weer terug kunnen vallen op haar oude gezonde ‘ik’ en niet meer onbewust worden toegezogen naar een vergelijkbare situatie.

Co-dependentie in een gestalttheoretisch kader

De co-dependent is niet in staat om op een gezonde manier aan haar behoeftes te voldoen. In gestaltterminologie betekent dit, dat de co-dependent niet in staat is het veld zo te organiseren, dat ze in haar behoeftes wordt voorzien. Hierdoor ontstaat er een onaffe, gefixeerde gestalt, of anders gezegd: de creatieve aanpassing, de
wisselwerking tussen eigen behoefte en het appèl van de omgeving is verstoord. Het doel van de gestaltherapie is om dit proces van gestaltvorming te ondersteunen en af te maken zodat er alsnog een succesvolle creatieve aanpassing tot stand gebracht wordt.
Daarbij kiest zij doorgaans vreemd genoeg voor een individuele insteek, terwijl mijns inziens een relationele insteek toch het meest voor de hand liggend is. Immers pathologie wordt binnen de gestalttheorie als stoornissen in het wisselwerkend veld van organismen en omgeving gezien. ‘Ziek’ gedrag is een storing van het veld, waarin zowel individu als omgeving hun aandeel hebben. Het is dus van belang zoveel mogelijk het hele ‘veld’ te betrekken in de therapie.

Meer in EPT termen kun je stellen dat er bij de co-dependent sprake is van een (gefixeerde) disbalans tussen hoe voor zichzelf te zorgen zonder dat dit ten koste gaat van de ander en hoe voor de ander te zorgen zonder dat dit ten koste gaat van zichzelf. Bij de co-dependent is de autonomiepool, de zorg voor zichzelf onvoldoende ontwikkeld en de verbondenheidspool, de zorg voor de ander, te sterk ontwikkeld.

De gestaltvorming is een proces dat de tegengestelde polen autonomie en verbondenheid tussen individu en omgeving in hun verschil doet ervaren en deze tegenovergestelde polen zo met elkaar verbindt dat er een zinvol geheel ontstaat. Het vormen van dergelijke heldere gestalten is de voornaamste maatstaf voor gezondheid. Als individu blijven we voortdurend streven naar authentieke zelfrealisatie. Bij de co-dependent is zoals ik eerder heb genoemd, sprake van een niet-authentieke zelfrealisatie. De zogenaamde stevigheid, het ‘ik red me wel’ is een niet-creatieve aanpassing geweest aan het appèl (bijvoorbeeld hou je gedeisd, of zorg voor jezelf en je broertjes en zusjes) van de omgeving, in dit geval het gezin. De onafgemaakte ontwikkelingstaak, de behoefte aan zelfrealisatie blijft daarom als een onaffe gestalt om aandacht vragen. Zij doet voortdurend pogingen zichzelf in proces te brengen om zo alsnog de oude, maar nog actuele behoefte aan bijvoorbeeld veiligheid, aandacht, erkenning of warmte te bevredigen.
Helaas, maar ook begrijpelijk, doet de co-dependent dit op de door haar aangeleerde, ineffectieve manier via zorgen voor de ander, waardoor de oude situatie van zelf te kort gedaan worden zich herhaalt.
Het co-dependente gedrag van de volwassene is in oorsprong dus ooit een niet-creatieve aanpassing of reactie geweest op een omgeving die geen gehoor gaf aan de behoeften van het kind dat het ooit was. In de gestalt-theorie noemt men dit ook wel de dynamiek van het verbogen introjecteren. Het natuurlijke gestaltvormingsproces van autonomie en verbondenheid raakt daarbij verstoord en dit leidt tot ‘starre en vastgeroeste patronen’. Om gevoelsmatig te kunnen overleven moest het kind haar eigen verlangens opzij zetten en introjecteert zij in plaats daarvan de herhaalde eis van haar ouders. Bijvoorbeeld groot en sterk zijn en zorgen voor de jongere broertjes en zusjes, in plaats van dat de eigen behoefte aan zorg wordt vervuld.

Twee componenten doen het introjecteren afbuigen:
– de inhoud of het specifieke verbod (bijvoorbeeld je krijgt klappen als je herrie maakt of teveel aanwezig bent);
– de bedreiging geen liefde te krijgen als je geen gehoor geeft aan het verbod. Het gevolg is een blijvend conflict tussen de natuurlijke, levendige behoeften en gevoelens en voor ons ‘giftige’, ingeslikte boodschappen die ons doen overleven in plaats van leven.

In de gestaltliteratuur wordt gesproken over vier patronen die wijzen op een verbogen introjecteren van het kind.

Het zorgende kind (actief geparentificeerd)
Dit kind zet zijn eigen behoefte opzij om zich te schikken naar de wens van de ouders. Het inleveren van speelsheid, spontaniteit en onbezorgde kindheid is de tol. Het kind mag niet zwak of behoeftig zijn.

Het kind dat kind moet blijven
(pasief geparentificeerd)
Dit is vaak het jongste kind in een gezin. Zulke kinderen schikken zich naar de onuitgesproken wens van de ouders door niet volwassen te worden. Ze zijn de troost van ouders en blijven vaak heel lang thuis wonen.

Het perfecte kind
Wanneer ouders gekwetst zijn in hun eigenheid zijn ze vaak niet in staat de ander zijn eigenheid te gunnen. Het kind moet dan waarmaken wat ze zelf tekort kwamen. Het kind krijgt de boodschap dat het nooit goed genoeg is. Deze kinderen missen intimiteit, schermen hun emoties af en voelen zich eenzaam.

De zondebok
Het kind in de zondebokpositie zal, net als het perfecte en geparentificeerde kind, zichzelf opofferen om de eenheid in het gezin te bewaren. De problemen die dit kind veroorzaakt houden de aandacht van het gezin gevan-
gen en zorgen voor eenheid en saamhorigheid. Dit kind helpt het gezin met zijn gedrag en krijgt daar nog eens de schuld bovenop.

Deze vier patronen die worden geïntrojecteerd door kinderen zijn vanuit de ouders gezien projecties. Ouders stoten bijvoorbeeld de actieve zorgende pool van zich af en projecteren die op het kind. Het kind zal die pool opnemen en voor zichzelf, broers en zusjes of de ouders gaan zorgen.
Het zou heel goed kunnen zijn dat de verslaafde partner het zondebokkind van weleer was, waarop alle spanningen, emoties en mislukkingen werden geprojecteerd. Deze rol vervult hij nu dan opnieuw in de volwassen relatie, daarbij geholpen en in evenwicht gehouden door zijn co-dependente partner die ooit het zorgende kind was. Zo zien we dat oude overlevingsmechanismes springlevend blijken te zijn in nieuwe, meestal complementaire relaties.
Beide partners, zowel de verslaafde als de co-dependent zitten dus vast in een oud en ineffectief kindpatroon, waarmee zij zowel het eigen gedrag als dat van de ander oproepen en versterken.
Pas wanneer de cirkel door op z’n minst één van beide partners wordt doorbroken kunnen beiden zich de eigen niet-toegestane delen toe-eigenen en ander, gezonder en meer volwassen gedrag ontwikkelen.

Vooral in mijn werk is het voor mij nog steeds een uitdaging om goed te letten op mijn grenzen. Ik moet steeds stilstaan bij wat mijn verantwoordelijkheid is en wat de verantwoordelijkheid van de ander. Ik heb ‘van nature’ de neiging om te denken dat ik ergens verantwoordelijk voor ben, terwijl dat vaak ten onrechte is.
Het grappige is echter, dat sinds ik mijn handen vol heb aan het uitzetten en varen van mijn eigen koers, ik minder langs de horizon speur en dus aanzienlijk minder mensen tegenkom die hoognodig gered moeten worden.

En gebeurt dit toch dan heb ik sneller dan vroeger door wanneer ik in de val van de reddersdriehoek terecht ben gekomen. Om in gestalttermen te spreken, ben ik mij nu gewaar van de emoties en behoeftes die bij dit patroon horen. Zodra deze zeer heftig zijn, weet ik dat ik me moet afvragen of mijn reacties of behoeften passend zijn bij de situatie in het hier en nu, of dat ze een anachronisme zijn en horen bij vroeger. Wanneer ik dit niet goed kan vaststellen heb ik geleerd dat het beter is even niets te doen, ondanks dat alles in mij actie wil ondernemen.

NATASJA VOS

Share This